Maria als verzwegen criterium van synodale onderscheiding

Standaard

Maria als verzwegen criterium van synodale onderscheiding

Conciliaire ecclesiologie, kruis-theologie en Mariale profetie

Pastoor J. Geudens

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft Maria niet toegevoegd als een aanvullend thema naast de ecclesiologie, maar Haar integraal daarin opgenomen. In Lumen Gentium verschijnt Maria niet als een afzonderlijke figuur, maar als een persoonlijke concretisering van het mysterie van de Kerk zelf. In nummer 58 wordt Zij getekend als Degene die Haar eenheid met de Zoon bewaart tot onder het Kruis, waar Zij niet slechts aanwezig is, maar actief deelt in Zijn lijden en innerlijk instemt met Zijn offer aan de Vader.¹ Deze passage bezit normatief gewicht. Maria staat hier niet aan de rand van het heilsmysterie, maar in het centrum ervan.

In deze kruis-gebonden positie wordt Maria zichtbaar als ecclesiale gestalte in haar meest radicale vorm: gehoorzaam in geloof, ontvankelijk zonder reserve, en bereid het lijden niet te ontwijken. Het Concilie beschrijft Haar niet als een passieve toeschouwer, maar als Degene in Wie de Kerk Haar diepste roeping belichaamd ziet. Maria fungeert hier niet als exemplarisch individu, maar als persoonlijke gestalte van de Kerk zelf, zoals Zij onder oordeel en genade van het Kruis staat.²

Deze lijn wordt consequent doorgetrokken in Lumen Gentium 60–62. Maria’s moederlijke taak doet niets af aan de unieke en volstrekte middelaarsrol van Christus, maar openbaart juist de werkzaamheid van diens genade.³ Alles wat Maria is en doet, is ontvangen. Haar medewerking is daarom niet autonoom, maar reëel; niet aanvullend, maar vruchtbaar; niet concurrerend, maar volledig afhankelijk. Het Concilie introduceert geen nieuwe titels, maar bewaart de inhoud: Maria’s handelen is persoonlijk, vrij en heilzaam voor de Kerk, juist omdat het radicaal ondergeschikt blijft aan Christus.⁴

Vanuit dit conciliaire perspectief kan Maria worden verstaan als een stil, maar beslissend criterium voor kerkelijke onderscheiding. Zij openbaart wat het betekent om werkelijk synodaal te zijn. Synodaliteit is hier niet primair een proces van gezamenlijk spreken, maar een wijze van gezamenlijk blijven bij Christus wanneer woorden tekortschieten. Waar Haar plaats onder het Kruis niet langer richtinggevend is, verschuift synodaliteit ongemerkt van een eucharistisch en offergericht verstaan van de Kerk naar een procedureel model van overleg, participatie en besluitvorming.⁵

Tegen deze achtergrond krijgen de erkende Mariale verschijningen van Lourdes en Fatima een bijzondere theologische betekenis. Zij voegen geen nieuwe openbaring toe, maar maken zichtbaar wat het Concilie doctrinair heeft vastgelegd.⁶

In Lourdes verschijnt Maria als de Onbevlekte Ontvangenis en roept Zij op tot bekering en boete. Deze oproep staat niet in het teken van triomf of morele correctie, maar van genezing. De waarheid wordt hier niet afgedwongen, maar ontsloten langs de weg van nederigheid, lijden en genade. Lourdes maakt duidelijk dat genezing — persoonlijk én ecclesiaal — onlosmakelijk verbonden is met bekering en met de aanvaarding van het Kruis.⁷

In Fatima wordt deze lijn aangescherpt. Maria waarschuwt voor een wereld en een Kerk die het lijden willen neutraliseren en zo de kracht van het offer ondermijnen. Haar oproep tot gebed, boete en toewijding functioneert als een moederlijke profetische correctie. Waar het Kruis wordt verzwegen, verliest de waarheid Haar dragende kracht. Fatima toont de gevolgen van een Kerk die Haar kinderen liever om het lijden heen leidt dan hen erdoorheen te voeren.⁸

Wanneer hedendaagse synodale teksten Maria slechts zijdelings noemen — als luisterende vrouw of symbool van nabijheid — maar Haar plaats onder het Kruis niet laten meewegen, ontstaat een theologisch tekort. Er wordt gesproken over onderscheiding, maar vergeten waar die onderscheiding Haar volle gewicht ontvangt: onder het Kruis, waar waarheid niet wordt berekend, maar gedragen.⁹

Maria blijkt zo geen bijkomende vrome figuur, maar een vaak verzwegen toetssteen. Lumen Gentium 58–63, gelezen in het licht van Lourdes en Fatima, laat zien dat synodaliteit Haar diepte verliest zodra Maria niet langer wordt erkend als Moeder die de Kerk bewaart bij de bron van Christus’ Offer. Waar Maria ontbreekt, wordt synodaliteit een proces; waar Zij wordt gehoord, blijft de Kerk onderweg — met Christus, in waarheid, door het Kruis heen.


Onderscheiding en normativiteit

Een Mariale correctie vanuit canoniek perspectief

In het kerkelijk recht is onderscheiding nooit vrijblijvend. Wanneer wordt gesproken over discretio in pastorale of synodale contexten, veronderstelt dit steeds een vaste normatieve bedding: het geloof van de Kerk, Haar sacramentele constitutie en Haar hiërarchische ordening. Het hoogste criterium is niet het proces, maar het salus animarum.¹⁰

Daarom kan synodaliteit canoniek gezien nooit worden opgevat als een open zoekproces waarin alle uitkomsten principieel mogelijk zijn. Zij is altijd onderscheiding binnen ontvangen grenzen. Het recht beschermt hier de theologie: onderscheiden betekent luisteren naar een waarheid die de Kerk ontvangt, niet naar een resultaat dat Zij zelf produceert.¹¹ Waar deze normatieve verankering vervaagt, dreigt synodaliteit te verworden tot een procedureel model dat losraakt van de constitutieve structuur van de Kerk.¹²

Juist hier krijgt Maria een betekenis die vaak over het hoofd wordt gezien. In Lumen Gentium verschijnt Zij niet als onderwerp van overleg, maar als normatieve gestalte. Zij weegt geen opties af, maar stemt in met Gods wil, ook wanneer deze Haar langs het Kruis voert. Haar fiat onder het Kruis is geen uitkomst van dialoog, maar een daad van gehoorzame waarheid.¹³

Daarmee verheldert Maria het canonieke onderscheid tussen raadplegen en beslissen. Er kan breed worden geluisterd, maar de beslissing blijft gebonden aan het ontvangen geloof en aan het ambt dat dit geloof bewaart.¹⁴ Maria staat hier model voor de Kerk zelf: Zij ontvangt het Woord, draagt het en verliest het niet wanneer het lijden begint. Normativiteit blijkt zo geen belemmering van onderscheiding, maar Haar voorwaarde.

Wanneer synodale processen sterk inzetten op participatie en dialoog, maar Maria niet erkennen als normatief icoon van gehoorzaamheid, ontstaat een spanningsveld. Onderscheiding dreigt dan te worden herleid tot meningsvorming. Canoniek gezien is dat ontoelaatbaar: meningsvorming kan nooit bron zijn van leer of recht.¹⁵

De Mariale correctie is daarom wezenlijk. Maria toont dat ware onderscheiding altijd plaatsvindt binnen de maat van het Kruis. Haar moederlijke nabijheid is geen alternatieve autoriteit, maar volledige transparantie voor de wil van Christus. Wat niet door het Kruis wordt gedragen, kan geen norm worden, hoe breed het ook wordt gedragen.

Daarom geldt: een synodale weg die Maria slechts symbolisch noemt, maar Haar kruis-gebonden normativiteit niet integreert, wordt canoniek kwetsbaar. Zij loopt het risico besluiten te legitimeren op basis van procesdeelname in plaats van op basis van ontvangen waarheid. Het kerkelijk recht beschermt hier geen macht, maar mysterie: de Kerk bestuurt zichzelf niet, Zij wordt geleid.


Conclusie

Synodaliteit behoort tot de orde van onderscheiding, niet tot die van normstelling. Maria — zoals Zij verschijnt in Lumen Gentium en in Haar profetisch spreken — bewaakt de Kerk bij het Kruis. Waar Zij ontbreekt als levende maatstaf, verliest synodaliteit Haar ecclesiale stevigheid en wordt Zij een experiment. Waar Maria wordt erkend, blijft onderscheiding wat Zij wezenlijk is: luisteren in gehoorzaamheid, zoeken in waarheid, samen onderweg — door het Kruis heen.


Voetnoten

  1. Vaticanum II, Lumen Gentium 58.
  2. Vgl. H. Urs von Balthasar, Der antirömische Affekt, Freiburg 1974, 113–128.
  3. Lumen Gentium 60.
  4. Congregatie voor de Geloofsleer, Redemptoris Mater (1987), nr. 38–41.
  5. Vgl. J. Ratzinger, Das neue Volk Gottes, Düsseldorf 1969, 141–158.
  6. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 66–67.
  7. Congregatie voor de Geloofsleer, Normae de modo procedendi (1978).
  8. Congregatie voor de Geloofsleer, Il messaggio di Fatima (2000).
  9. Vgl. Paus Franciscus, Evangelii Gaudium 95–97 (kritiek op spiritueel functionalisme).
  10. CIC 1983, can. 1752.
  11. CIC 1983, can. 747 §1–2.
  12. CIC 1983, can. 129; 336.
  13. Vgl. Bernardus van Clairvaux, Sermo in Nativitate BVM, 7.
  14. CIC 1983, can. 127; 381 §1.
  15. Congregatie voor de Geloofsleer, Donum Veritatis (1990), nr. 28–30.

Smakt, 27 januari 2026