Nieuwsbrief 45: De Eucharistie II; we beschouwen de Eucharistie vanuit de consecratie als een allesomvattend gebeuren

Standaard

Nieuwsbrief XVI 45, vrijdag 5 november 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

De Schriften van het Oude en Nieuwe Verbond tonen ons hoezeer heel de christelijke openbaring gericht is op de Eucharistie. Alles verwijst naar dit hoogtepunt en hierin ligt ook alles vervat. Op gelijkaardige wijze beschouwen we nu de Eucharistie vanuit de consecratie als een allesomvattend gebeuren. Door de consecratie worden het brood en de wijn omgevormd tot het Lichaam en Bloed van de gestorven en verrezen Heer Jezus Christus, als voorafbeelding van de omvorming van heel de schepping waarin God alles in alles/allen zal zijn. En tevens worden de gelovigen daardoor omgevormd tot het alomvattend Mystieke Lichaam van Christus.

Brood en wijn vertegenwoordigen de schepping. In het Hebreeuws staat hetzelfde woord (lamed-chet-mem) zowel voor “lechem” (brood) als voor “lacham” (strijden). De voornaamste levensstrijd is immers die voor het voedsel en het belangrijkste voedsel is het dagelijks brood. Als iemand niet meer kan werken voor zijn levensonderhoud spreken wij ook van “broodroof”. Welnu, Jezus wordt geboren in Beth-lechem (= huis van het brood). Hij zal hét Brood van het Leven zijn. Wijn en bloed zijn verwant. De wijn is “het bloed van de druiven” (Deuteronomium 32, 14), die geperst worden. En het bloed is in de joodse opvatting de drager van het leven. Het is daarom heilig omdat het leven aan God toebehoort: “Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken…” (Leviticus 17, 10). Bij Jezus’ veroordeling tot de Kruisdood zal het volk de profetische woorden roepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” (Mattheus 27, 25).

De consecratiewoorden van de Eucharistie werden door Jezus uitgesproken tijdens het Laatste Avondmaal, zoals de synoptische Evangeliën eensgezind getuigen. Jezus neemt brood en wijn en zegt: “Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt… Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond; dit is mijn bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden. Blijft dit doen om Mij te gedenken”. Hiermee verwijst Jezus naar drie centrale gebeurtenissen uit het Oude Verbond en geeft er een geheel nieuwe en definitieve betekenis aan.  

Vooreerst de unieke offerritus van Mozes. Mozes doet de helft van het bloed van stieren in schalen waarmee hij het volk besprenkelt en de andere helft sprenkelt hij over het altaar, dat God vertegenwoordigt en hij zegt: ”Dit is het bloed van het verbond” (Exodus 24, 8). Er wordt voorgelezen uit het verbondsboek en zij aten en dronken. Welnu, het is naar deze offerritus dat Jezus verwijst wanneer Hij zegt: “…dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond; dit is mijn bloed…”. Hij offert geen stierenbloed meer, Hij offert zichzelf. Vervolgens vernieuwt Jezus het hoogste feest uit heel de joodse liturgische kalender: Jom kippoer = de Grote Verzoening.  Aaron moet het brandoffer opdragen om zichzelf en het volk te reinigen en te heiligen en het heiligdom binnengaan op de grote verzoendag: “… om het brandoffer op te dragen voor zichzelf en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te voltrekken” (Leviticus 16, 24). Hiernaar verwijst Jezus wanneer Hij zegt: “…dit is mijn bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden…”. Jezus hoeft niet zoals Aaron te offerenvoor de vergeving van eigen zonden.  Hij geeft zijn Bloed voor de verzoening van allen. Tenslotte is er “de gedachtenis. Het joodse volk is bij uitstek het volk van de herinnering, de gedachtenis. Het is geroepen om de weldaden van God te blijven gedenken en op die wijze de gaven hiervan te blijven ontvangen. Dat is ook de betekenis van iedere liturgische viering: gedenkend vieren en er nu de vruchten van ontvangen. Het joodse volk moet het grote bevrijdingsfeest van Pasen vieren door op de 14e Nissan in de namiddag een lam, een schaap of een geit te slachten en ’s avonds samen in familie te eten ter gedachtenis aan de bevrijding uit Egypte: “Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken…” (Exodus 12, 14). Hiernaar verwijst Jezus wanneer Hij opdraagt: “Blijft dit doen om Mij te gedenken”. Hij vraagt ons dat we zijn levensoffer als hét nieuwe Pasen zouden blijven gedenken en vieren om aan deze bevrijding deel te nemen. Ziedaar het totaal nieuwe van Jezus’ Eucharistie als vervulling van het Oude Verbond. Hij is tegelijk de ware Hogepriester, het Offerlam en de Tempel.  Hij draagt zichzelf op en geeft zijn eigen bloed tot verzoening van de zonden van alle mensen.

Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie was er onder de Latijnse kerkvaders behoorlijk wat wrevel omdat vertegenwoordigers van de oosterse kerken telkens maar wezen op de noodzaak om een grotere aandacht te geven aan de heilige Geest. Ik was op het einde van het concilie als priesterstudent in Rome en herinner mij de gesprekken nog. En deze discussies hebben dieper inzicht gebracht. De omvorming van de Eucharistie is slechts mogelijk door de Geest. Jezus heeft zich uiteindelijk geofferd “door de eeuwige Geest” (Hebreeën, 9, 14). In de heilige Drie-eenheid is de Geest het zich wegschenken van de Vader aan de Zoon en van de Zoon aan de Vader. In de heilsgeschiedenis is de Geest het zich wegschenken van God aan ons. En nu is de Geest de kracht waardoor wij ons kunnen geven aan God. Uiteindelijk werden door Vaticanum II in de nieuwe ritus voor de Eucharistie twee uitdrukkelijke “epicleses” (afsmeking van de heilige Geest) opgenomen: vóór de consecratie vraagt de priester dat door de heilige Geest dit brood en deze wijn omgevormd zouden worden “tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus, onze Heer” en na de consecratie opdat wij allen “één lichaam worden en één geest in Christus”, nl. omgevormd mogen worden tot één Mystiek Lichaam van Christus.

Door de consecratie worden brood en de wijn het Lichaam en Bloed van Christus. Dit is echter nog maar het begin van een alomvattende omvorming. Wij allen zijn geroepen om Jezus Christus na te volgen en om zoals Hij ook Eucharistie te worden.  En zelfs heel de schepping kijkt ernaar uit: “Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen” (Romeinen 8, 19). God heeft de schepping gemaakt voor de mens, niet omgekeerd. Omwille van de zonde deelt ook de schepping in de gevolgen, nl. de vergankelijkheid door wanorde, lijden en sterven. Wordt de mens verlost, dan zal ook de schepping eens bevrijd worden: “Want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Romeinen 8, 21).

Zo is de omvorming van een weinig brood en wijn tot de gestorven en verrezen Heer Jezus het begin van een proces van omvorming waardoor God aan het einde der tijden heel de schepping zal vernieuwen en omvormen. Dan zal God “alles in allen/alles” zijn (1 Korintiërs 15, 28). Dat zal de ‘echte’ “Great Reset” zijn.

P. Daniel

Nieuwsbrief 44: Het kostbare “geheim” van het christelijk geloof is de Eucharistie; het levensoffer van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden

Standaard

Nieuwsbrief XVI 44, vrijdag 29 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

Deze overweging willen we wijden aan het kostbaarste “geheim” van het christelijk geloof, nl. de Eucharistie. Neen, het gaat niet over een vrome ritus voor enkele ‘pilarenbijters’. Dit “mysterie” was vanaf het begin van het christendom het hart van iedere gemeenschap van christenen. In de huidige samenleving blijkt ze nauwelijks nog enige betekenis te hebben voor het openbare leven. Zo was het aanvankelijk ook in het Romeinse Rijk. Christenen lieten zich echter door een heidense overheid niet voorschrijven of en hoe zij Eucharistie zouden vieren. Zij gingen ondergronds en organiseerden vieringen in de catacomben, in de grootste verborgenheid. Het Romeinse Imperium stortte in, terwijl Kruis en Eucharistie overeind bleven.

Doorheen de eeuwen werd Eucharistie op de meest verschillende wijzen genoemd én gevierd: Dankzegging, Laatste Avondmaal, Maaltijd des Heren, Breking van het Brood, Heilig Offer, Heilige en Goddelijke Liturgie, Mis…In de sobere en donkere Romeinse kerken was een viering indrukwekkend door zijn eenvoud. In de kathedralen en barokkerken werden de vieringen omgeven door de overvloedige luister van processies, wierook en gezangen met orgelspel, waarvan de klanken langs het plafond rolden. Meer dan een halve eeuw geleden genoot ik als priesterstudent van pauselijke vieringen op het St Pietersplein te Rome, speciaal op hoogfeesten. Het was telkens weer een ongelooflijke pracht aan polyfonische gezangen, schitterende gewaden, processies en wierook, met een benedictijnse waardigheid. Het Woord Gods werd gezongen met een heldere stem en een indrukwekkende melodie. Meest ontroerend zijn wellicht nog de verslagen uit de concentratiekampen aan het einde van de oorlog, toen de nazi’s hun greep op de gevangenen moesten lossen. Had iemand een beetje brood en wijn kunnen bemachtigen, dan werd in een verdoken hoek Eucharistie gevierd. Een priester sprak enkele Schriftwoorden en de consecratiegebeden, waarna een vredewens en de heilige communie. Een goddelijke lichtstraal voor gevangenen in de barak van een hel.

Rond 155 geeft de heilige martelaar Justinus volgende eenvoudige beschrijving: “(Op de ‘dag van de zon’) komen alle bewoners samen… Er wordt gelezen uit de gedenkschriften van de apostelen of de geschriften van de profeten… (dan) spreekt hij die voorgaat een woord van vermaning en aansporing… Vervolgens staan wij allen gezamenlijk op en spreken onze gebeden uit… voor onszelf en voor allen die elders zijn. Wij bidden dat wij waardig bevonden zullen worden nu wij de waarheid hebben leren kennen… (dan) groeten wij elkaar met een kus. Dan wordt aan de celebrant brood en een beker water en wijn gebracht… hij brengt lof en eer aan de Vader van het al door de naam van de Zoon en de heilige Geest en hij spreekt een lange dankzeggen (Grieks: eucharistia) uit … (en) heel het aanwezige volk zegt: Amen… dan geven …diakens aan ieder die aanwezig is van het eucharistisch brood en de wijn en het water. Zij brengen het ook aan de afwezigen” (Justinus, Apologiae 1, 65).

Het Oude Verbond is vol met voorafbeeldingen van de Eucharistie. Melchisedech, een heiden, biedt Abraham brood en wijn aan (Genesis 14, 18-20). Hij is koning van Salem, een “vredevorst” met verfwijzing naar Jeruzalem (psalm 76, 3). Hij zegent Abraham op mysterieuze wijze en Abraham geeft hem 1/10e deel van alles. “Hij (Melchisedech) lijkt op de Zoon van God. Hij blijft voor altijd priester” (Hebreeën 7,3). Een sterke verwijzing naar de Eucharistie is het offer van Abraham, die bereid is het dierbaarste, nl. zijn enige zoon Isaak te offeren (Genesis 22). Zijn geloofsgehoorzaamheid volstaat. Het echte offer zal Jezus zijn, de nieuwe Isaac, die op het laatste ogenblik niet gespaard zal worden. De voornaamste voorafbeelding van de Eucharistie in Het Oude Testament is de Uittocht van het joodse volk uit de slavernij in Egypte, met de doortocht door de Rode Zee, de tocht door de woestijn en de intocht in het Beloofde Land. Het volk laat zich herhaaldelijk verleiden om te morren bij moeilijkheden en daarbij zijn bevrijding en zijn beloften te vergeten. Dan wordt hun “brood uit de hemel” gegeven in de vorm van “een fijne korrelige laag” en misprijzend vragen ze “wat is dat?” (Exodus 16, 15; Hebreeuws: man hoe = wat dat?) Het werd “manna” genoemd. Jezus zal zich openbaren als het echte brood uit de hemel (Johannes 6, 31 vv) en velen zullen er zich eveneens aan ergeren. Uittocht uit Egypte, de woestijntocht en de intocht in het Beloofde Land zijn tevens het beeld van ieder volk en van het leven van ieder mens.

Ook het Nieuwe Testament is helemaal gericht op de eucharistie, het hoogtepunt van Jezus’ leven, dat beschreven wordt als een “opgaan naar Jeruzalem” om daar het doel van zijn komst, zijn levensoffer te volbrengen tot vergeving van de zonden. De vermeldingen over een “wonderbare spijziging” zijn een voorafbeelding. Mattheus, Marcus en Lucas vertellen de instelling van de Eucharistie en Johannes spreekt in hoofdstuk 6 uitvoerig over “het brood van het leven” en de noodzaak van het eten van Jezus’ Lichaam en het drinken van zijn Bloed. In de plaats van de instelling van de Eucharistie geeft Johannes de beschrijving van het Laatste Avondmaal met de voetwassing waarbij Jezus knielt tot op de grond. Tenslotte vermeldt ook Paulus uitdrukkelijk de instelling van de eucharistie (1 Korintiërs 11). Wanneer de paaslammeren op vrijdagnamiddag geslacht worden, sterft Jezus op het kruis als hét Paaslam voor altijd. Hiermee werd de Eucharistie een historische werkelijkheid, die alle voorafbeeldingen vervult.

In de tijd van de Kerk wordt dit offer voortdurend hernieuwd en sacramenteel gevierd onder de tekenen van brood en wijn. Offeraar en Offer – zij het onbloedig – zijn dezelfde en de priester handelt als “een andere Christus” en in naam van de Kerk. Dit zal blijvend gevierd worden tot aan het Bruiloftsmaal aan het einde der tijden en de vervulling van de verzuchting van het slot van de Openbaring: “Kom, Heer Jezus”.

Doorheen de eeuwen is de fundamentele structuur van de Eucharistie met enkele gebaren en woorden onveranderd gebleven: een dienst van het woord met de lezingen, homilie en voorbeden en een dienst van de eucharistie met brood en wijn, consecratie en communie. In de Latijnse kerk waren de vieringen eerder rationeel en sober. In de oosterse kerk meer mystiek en uitgebreid met vele litanieën, processies, wierook en iconen. Zij beschouwen deze vieringen als een aansluiten bij een hemelse liturgie die al lang begonnen is en daarna ook verder gaat. Het is evenwel hetzelfde levensoffer van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden. Deze totale gave van zichzelf is tevens de kern van ieder mensenleven.

Eucharistie is in feite alles en alles is eucharistie. Eucharistie vormt het hart van de Kerk en van de mensheid, van de geschiedenis en van het universum. Heel de geschiedenis, vanaf de schepping tot aan de Wederkomst des Heren is hierop gericht.

P. Daniel

Nieuwsbrief 43: Augustinus II

Standaard

Nieuwsbrief XVI 43, Syrië, vrijdag 22 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden

Ieder mens draagt bewust of onbewust een onstuitbare honger naar het volmaakte geluk en dus naar God in zich, wat we eerder (Nieuwsbrief XVI 30; 23 juli 2021) treffend konden illustreren met de bekering van de heilige Augustinus. Hij begint zijn “Belijdenissen” ook met de vermaarde woorden “Irrequietum est cor nostrum donec requiescat in Te – Onrustig is ons hart totdat het rust in U”. Het eerste deel van zijn leven is een hartstochtelijke zoektocht naar het ware, het schone, het goede, het volmaakte geluk. Pas vanaf zijn bekering beseft hij dat heel zijn wezen eigenlijk hunkert naar God, de enige die dit alles geven kan. Ik wil nu zijn levensverhaal vervolledigen en het verdere verloop voorstellen omdat het eveneens zo inspirerend is.

Na zijn bekering en zijn doopsel door de heilige Ambrosius in Milaan in 387, wil Augustinus terug naar N-Afrika, naar het ouderlijk huis in Thagaste. Ver van alle drukte en samen met vrienden wil hij daar een contemplatief leven leiden zoals hij eerder beleefde op het landgoed van zijn vriend in Cassiciacum (NW van Milaan). Voor hun vertrek, in Ostia, sterft zijn moeder Monica, in grote dankbaarheid om wat ze mocht beleven: de bekering van haar man en nu van haar zoon. De kinderen willen haar naar Afrika overbrengen maar zij hecht er geen enkel belang aan en vraagt enkel dat ze voor haar zouden bidden bij het altaar van de Heer. Drie jaar (388-391) leeft Augustinus een gelukkig religieus gemeenschapsleven als monnik, asceet, theoloog en bekend schrijver, samen met een kleine groep. In de lente van 391 gaat hij een vriend, die zich bij hen wil voegen opzoeken in Hippo, na Carthago, de grootste en belangrijkste stad van Numidië. Hij weet echter niet dat de oude bisschop Valerius, een Griek, dringend op zoek is naar iemand die in het Latijn kan prediken. De volksmenigte herkent Augustinus en begint te roepen “Augustinus priester”! Hijzelf protesteert, smeekt en weent … tevergeefs. Uiteindelijk vraagt hij enkele maanden om zich voor te bereiden. Hij aanvaardt dit offer als uitboeting voor zijn zonden. Hippo biedt voor hem geen enkele vreugde. Hij wordt priester gewijd en vijf jaar later hulpbisschop van Valerius, die hij ook zal opvolgen. In Hippo was er een verschrikkelijke kloof tussen rijken en armen: de armen leefden in krotten aan de haven, de rijken in villa’s in de stad. Bovendien waren er meer donatisten dan katholieken. De donatisten vormden een sterk georganiseerde en fanatieke sekte, genoemd naar de schismatieke bisschop Donatus van Carthago. Vanaf 312 leerde hij dat alleen heiligen de ware Kerk vormen en dat de geldigheid van de sacramenten afhangt van de heiligheid van de bedienaar. Het donatisme verscheurde de Kerk en de samenleving. Augustinus zal verschillende werken schrijven tegen de donatisten en stellen dat de zonde wel de Kerk besmeurt maar ons niet uitsluit van de Kerk. Hij heeft veel geleden onder hun aanvallen.

Augustinus laat een klooster bouwen en wil rond zich de clerus verzamelen in een soort monastiek gemeenschapsleven. Porphirius, zijn biograaf, schrijft dat Augustinus “een onvermoeibare bisschop en herder was, die de weg effende voor het monastieke leven in Afrika”. Drie jaar voor zijn dood dicteert hij zijn “Retractationes” of herzieningen. Hierin geeft hij vooral veel zelfkritiek en zelden een zelfverdediging. Hij is onder meer veel kritischer tegenover de mythologie en de heidense cultuur. Wat wij in de huidige “mémoires” van vele groten overvloedig aantreffen, is bij hem totaal afwezig: de zorg voor eigen postume glorie. Hij blijft gefascineerd zoeken naar de waarheid omtrent God en de Kerk, precies zoals hij in zijn “Belijdenissen” schreef: “Laat heb ik U liefgekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw… Ik werd ver van U gehouden door dingen, die niet bestaan zouden hebben, als ze niet in U bestaan hadden… Wanneer ik U eenmaal aan zal hangen uit heel mijn wezen, zal er voor mij nergens meer leed zijn… Gestreden wordt er tussen mijn boze droefheden en mijn vrome vreugde… Ik, arme, Heer heb erbarmen met mij… Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt… Wie immers naast U iets liefheeft dat hij niet om Uwentwil liefheeft, heeft U te weinig lief. O liefde, die altijd brandt en nimmer dooft, o liefde, mijn God, steek mij in brand! Geef mij onthouding!” (X, XXVII, 38; XXVII, 39, XXIX, 40).

Hij die aanvankelijk niet kon begrijpen hoe een man kan leven zonder passionele liefde voor een vrouw en hij die onder druk van zijn moeder afscheid nam van zijn eerste vriendin en ondertussen toch een tweede vriendin nam, ontdekte de liefde van God als een veel groter geluk. Van dan af kon hij niet leven zonder vrienden om hem heen. Als bisschop verzamelde hij zijn clerus en leefde met hen als in een monastieke gemeenschap, waar het werk grotendeels vervangen werd door de pastorale zorg. Het doel dat hij nastreefde was: één hart en één geest vormen in God. In 430, in zijn 76e levensjaar en het 35e van zijn bisschopsambt komen de vandalen aan in Hippo. Op zijn ouderdom behield hij een volkomen helderheid van geest. Hij heeft geen testament gemaakt maar vroeg om goed zorg te dragen voor de bibliotheek van de kerk. Tien dagen voor zijn dood vroeg hij hem niet meer te komen bezoeken. Hij voelde zich zondaar, wilde wenen en bidden om zich voor te bereiden op de definitieve ontmoeting met God. Wanneer hij op 28 augustus 430 de keizerlijke uitnodiging ontvangt voor deelname aan het derde oecumenisch concilie in Efeze (431), sterft hij.

Augustinus is eerder een voorloper van de Middeleeuwen dan een uitloper van de Oudheid. Hij heeft de grootste invloed uitgeoefend op de westerse beschaving. Hij is theoloog, filosoof, bijbelgeleerde, polemist, redenaar, schrijver, opvoeder en vooral herder. Hij schreef 113 boeken, 226 brieven en liet meer dan duizend preken na. Meest bekend zijn de “Belijdenissen” (397-401) en vervolgens zijn “Stad Gods” (413-426). De verwoesting van Rome in 410 door de Visigotische koning Alaric is het begin van de val van het Romeinse Rijk. Sinds ’n eeuw is het Romeinse Rijk christelijk geworden en vele heidenen zien hierin de oorzaak van de ondergang van Rome. Hiertegen gaat Augustinus frontaal in de aanval: Rome is het slachtoffer geworden van zijn eigen wreedheid en morele verwording. Geen rijk kan blijven bestaan op overheersing, uitmoorden en plunderen van andere volken. Augustinus schrijft een theologie van de geschiedenis en van de tijd. Hij onderscheidt twee principes: de aardse vergankelijke rijken en het blijvende, geestelijke Rijk Gods. Dit werk heeft een enorme invloed gehad en is meer dan 500 maal met de hand gekopieerd en bewaard in verschillende bibliotheken. Zijn meest dogmatisch diepzinnige beschouwing handelt “Over de Drie-eenheid”, waaraan hij meer dan 15 jaar heeft gewerkt(tussen 399-419). In zijn preken over de psalmen treffen we naast een diepe geestelijke inhoud tevens sprankelende woordspelingen aan.

Augustinus (354-430), een man van vlees en bloed, heeft langs de ervaring van menselijke liefde en vriendschap de weg naar de ware Bron gevonden: Gods immense Liefde.

P. Daniel