De Heilige Geest daalt neer over Maria en de apostelen

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”; deel 7 , visioenen aan moeder Abdis Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/05/18/pinksteren-de-nederdaling-van-de-heilige-geest-is-waar-gebeurd-verhaal/

pinksterenDrie dagen nadat de allergezegendste Maria neerdaalde uit de hemel, toonde zij zich aan de apostelen en sprak met hen; Christus onze Heer bezoekt haar. Verdere mysteries tot de komst van de heilige Geest.

  1. Ik herinner degenen, die deze geschiedenis zullen lezen er aan, niet verwonderd te zijn over de verborgen sacramenten, die ik beschrijf, noch daar ongelovig tegenover te staan daar ze tot nu toe niet bekend waren in de wereld! Want ook al is het evident, dat ze alle aan deze grote koningin waardig en passend zijn, we kunnen niet ontkennen dat, ofschoon we tot nu toe geen geschreven gegevens hebben over haar wonderbare activiteiten na de hemelvaart van de Heer, wij toch moeten veronderstellen, dat zij vele en uitzonderlijke grote wonderen heeft gedaan in haar ambt als lerares, beschermvrouwe en moeder van de nieuwe Kerk, die in de wereld gebracht moest worden onder haar toezicht en met haar hulp. En als, zoals werd meegedeeld, de Heer haar in al haar krachten vernieuwde en indien Hij zijn gehele Almacht door haar deed gelden, kan haar geen gunst of zegen, hoe groot dan ook, mits in overeenstemming met de katholieke waarheid behorend bij dit uitzonderlijke schepsel dat zijns gelijke niet kent, ontzegd kan worden.
  2. Maria genoot in de hemel gedurende drie dagen het zalig schouwen, zoals ik reeds meedeelde in het eerste hoofdstuk (par. 3). Zij kwam van haar hemelse zetel op de dag die overeenkomt met de zondag na de dag van de hemelvaart, in de heilige Kerk de zondag onder het octaaf van dat feest genaamd. Zij bleef gedurende drie dagen in het cenakel, waar zij de nawerking van dit zalig schouwen genoot. Gedurende deze tijd werden de hemelse stralingen, waarin zij gehuld was, getemperd en alleen de evangelist, de heilige Johannes, had volledige kennis van het mysterie, want de tijd was nog niet daar dat alle apostelen dit mochten weten, omdat ze nog niet in staat waren zulke sacramenten te begrijpen. Ofschoon zij in hun gezelschap verbleef, was het toch noodzakelijk haar glorie voor hen te verbergen. Want zelfs de evangelist viel plat ter aarde, zodra hij in haar aanwezigheid kwam, ondanks het feit dat hij de bijzondere genade had ontvangen haar in volle pracht te mogen aanschouwen. Het zou, aan de andere kant (par. 6), ook niet passend zijn geweest onze grote koningin plotseling haar stralenpracht en de andere uiterlijke en innerlijke uitwerkingen van haar opname in de glorie te ontnemen. De Heer beval in zijn oneindige wijsheid, dat de uitwerkingen van deze goddelijke gave in graden zouden afnemen en haar maagdelijk lichaam langzamerhand zou terugkeren naar haar normale staat, zodat omgang met de apostelen en de rest van de gelovigen in de heilige Kerk weer mogelijk werd.
  3. Ik heb hiervóór ook gezegd, dat dit wonder van Maria’s toelating tot de hemel niet in strijd is met wat geschreven staat in de Handelingen ( boek 6 par. 801), ofschoon wij daar lezen, dat de apostelen en de heilige vrouwen volhardden in gebed met Maria, de moeder van Jezus en met zijn broeders nadat de Heer ten hemel was gestegen (Hnd 1,14). Wat ik gezegd heb, komt echter overeen met deze passage, want de heilige Lucas schrijft zijn geschiedenis naar aanleiding van wat hij in het cenakel te Jeruzalem zag, zonder rekening te houden met het mysterie waarvan hij niets wist. Het heilig lichaam van Maria was tezelfdertijd op twee plaatsen! Ofschoon de opmerkzaamheid en het gebruik van de zinnen volmaakter en wezenlijker was in de hemel, kan het toch naar waarheid gezegd worden dat zij in het gezelschap was van de apostelen en dat zij door allen gezien werd. Verder was het waar, dat de allergezegendste Maria met hen volhardde in gebed, want zij zag hen vanaf haar plaats in de hemel en verenigde zich in gebeden en smekingen met alle heiligen die een schuilplaats in het cenakel hadden gevonden; zij bood ze aan haar goddelijke Zoon aan, terwijl zij aan zijn rechterhand zat en verkreeg van de Almachtige voor hen volharding en vele andere grote gunsten.
  4. De drie dagen waarin de grote vrouwe de nawerking van de glorie ondervond en de afstraling van haar pracht geleidelijk afnam, bracht zij door in allervurigste en hemelse gevoelens van liefde, dankbaarheid en onuitsprekelijke deemoed, waarvoor ik geen woorden kan vinden. De engelen en serafijnen die haar omringden praatten vol nieuwe bewondering met elkaar over deze wonderen en zij vroegen zich af wat het grootste wonder was: dat de Allerhoogste een gewoon schepsel ophief tot zulk een hoogte of dat iemand, na tot zulke hoogten van genaden en glorie te zijn opgeheven, zichzelf verlaagt beneden het laagste schepsel in de schepping en zichzelf tot het allerlaagste wezen hier op aarde bestempelt. Ik nam waar dat de hoogste serafijn als het ware zijn adem inhield bij het aanschouwen van de activiteiten van zijn koningin. Sprekende tot elkaar zeiden zei:

“Indien de duivelen voor hun val het voorrecht zouden gehad hebben dit voorbeeld van nederigheid te aanschouwen, zou het hen onmogelijk zijn geweest, toe te geven aan hun trots. Onze grote vrouwe is zij die, zonder enig tekort, zonder enige onvolkomenheid niet slechts voor een deel maar in alle volheid de grote leegte aan nederigheid in alle schepselen opgevuld heeft. Slechts zij heeft de majesteit en de boven alles uitgaande grootte van de Schepper en de kleinheid van de schepping begrepen. Zij is degene die weet wanneer en hoe Hij moet gehoorzaamd en aanbeden worden en zij handelt getrouw naar haar kennis. Is het mogelijk dat onder de doornen, door de zonde onder de kinderen van Adam gezaaid, zo’n zuivere lelie kon opbloeien, die een dusdanige geur verspreidt tot vreugde van de Schepper en de stervelingen (Hl 2,2) dat vanuit de woestijn van de wereld, ontdaan van alle genaden en vol van aardgebondenheid, zo’n hemels wezen, overvloeiend van het behagen van de Almachtige, kon opstaan (Hl 8,5). Laat Hij, die in zijn eeuwige wijsheid en goedheid zulk een schepsel vormde dat zo wonderbaarlijk geschikt is voor de verspreiding van heiligheid, als voorbeeld en voor de glorie van het menselijke geslacht, in alle eeuwigheid geprezen zijn. En Gij, gezegende onder de vrouwen, onderscheiden en uitverkoren onder alle schepselen, gelukgewenst, gekend en zalig geprezen door alle geslachten. Moge gij door alle eeuwen heen de volmaaktheid, u door de Schepper geschonken, genieten: moge Hij zijn vreugde en genoegen in u vinden wegens de schoonheid van uw werken en gaven; moge in u de onmetelijke liefde voor de rechtvaardiging van alle mensen haar hoogtepunt bereiken. Gij geeft Hem, voor allen, genoegdoening en u aanschouwende zal Hij geen spijt hebben over het tot leven roepen van de ondankbare mensheid. Indien zij Hem smart bereiden en Hem tergen, dan sust gij Hem en leidt Hem tot barmhartigheid en minzaamheid. Wij zijn niet meer verbaasd dat Hij zoveel van de mensen houdt, want gij, onze vrouwe en koningin, verwijlt onder hen en noemt hen uw volk”.

  1. Met deze lofgezangen en vele andere hymnen vierden de heilige engelen de deemoed en de werken van de allergezegendste Maria, nadat zij uit de hemel was neergedaald en op enige van deze gezangen antwoordde zij. Na de schare engelen, die haar vanuit de hemel vergezelden, teruggezonden te hebben en na nog enige tijd teruggetrokken doorgebracht te hebben, slechts gadegeslagen door sint Johannes die haar in haar stralenpracht aanschouwde, was de tijd gekomen, zich met de getrouwen te onderhouden. Zij verliet haar plaats van afzondering en begon, als liefhebbende moeder, de apostelen en leerlingen liefderijk toe te spreken. Met hen stortte zij smartelijke gebeden tot haar goddelijke Zoon en sloot daar allen bij in die in de komende tijden het katholieke geloof zouden ontvangen. Vanaf die dag en zolang zij op aarde leefde, smeekte zij de Heer de tijden te verhaasten, waarop de feesten, betrekking hebbende op de heilige mysteries, op aarde op dezelfde wijze gevierd zouden worden als dat in de hemel het geval was. Zij vroeg de Heer ook mensen van uitgelezen heiligheid te zenden tot bekering van de zondaars en zag, op dat moment, hoe aan deze bede gehoor zou worden gegeven. Tijdens deze gebeden steeg haar brandende liefde tot zulk een hoogte, dat dit volgens het natuurlijk verloop haar dood tot gevolg had moeten hebben. Om haar bij te staan en de kracht van haar verlangen te matigen zond haar goddelijke Zoon meermalen een van de hoogste serafijnen die haar kon antwoorden en haar de vervulling van haar verlangens kon beloven. Tevens deelde deze haar mee hoe de opeenvolging van de vervulling van haar wensen door de goddelijke Voorzienigheid geregeld zou worden tot groter voordeel van de stervelingen.
  2. Door het abstracte visioen van de Godheid dat, zoals ik reeds zei, zij bij voortduring bleef genieten, werd de liefdebrand, die door dat allerzuiverste en kuise hart sloeg, zo onuitsprekelijk, dat zij de meest van liefde brandende serafijn nabij de troon van God verre overtrof (par. 32 ). Indien zij -bij tijden- toeliet dat deze liefdevlammen iets getemperd werden, was dit om de mensheid van haar allerheiligste Zoon te aanschouwen, want geen ander beeld van zichtbare zaken legde ooit beslag op haar innerlijke vermogens, behoudens wanneer zij haar zintuigen gebruikte bij het converseren met schepselen. Als zij zich de afwezigheid van haar Zoon bewust werd, voelde zij enige natuurlijke tederheid, maar dit was steeds een beheerste en redelijke neiging, aangezien zij de meest voorzichtige van alle moeders was. Maar als het hart van haar Zoon deze liefde beantwoordde, liet Hij toe dat deze liefdevolle verlangens van zijn moeder Hem verwondden (Hl 6,4) en de woorden van het Hooglied werden letterlijk vervuld: dat de ogen van zijn liefhebbende bruid en moeder Hem naar de aarde trokken.
  3. Dit geschiedde meermalen, zoals verderop gezegd zal worden. Het vond voor het eerst plaats gedurende de weinige dagen die haar neerdaling uit de hemel scheidde van de komst van de heilige Geest, niet meer dan zes dagen nadat zij begonnen was zich te onderhouden met de apostelen. Christus, onze Heiland, gunde zichzelf geen langer uitstel voordat Hij persoonlijk afdaalde om haar met nieuwe geschenken en onuitsprekelijke vertroosting te overladen (boek 7 par. 213, 347, 357; boek 8 par. 598, 619, 631, 646, 656, 665, etc.). De allerzuiverste duive was op het punt in zwijm te vallen en door de liefde en plotselinge pijnen die veroorzaakt werden -zo zei zij- door de gezonde liefde in de wijnkelder van de Koning (Hl 2,4). De Heer kwam naar haar toe en veroorloofde haar op zijn borst in de linkerarm van zijn mensheid te rusten en met de rechterarm van zijn Godheid verlichtte Hij haar en vervulde haar met levenwekkende en versterkende invloeden. Dan werden de liefhebbende zorgen van dit gewonde hart verzacht; dan drinkt zij tot verzadiging uit de bronnen van haar Heiland. Zij werd opnieuw versterkt en verfrist om opnieuw ontvlamd te worden door het vuur van haar onblusbare liefde. Zij werd genezen door grotere verwondingen; zij werd gezond gemaakt door een nieuwe ziekte en verlevendig door zichzelf over te geven aan de kwellingen van haar neigingen, want uit dit soort ziekte kent, noch laat enig ander soort geneesmiddel toe. Wanneer de lieflijke moeder door deze gunsten wederom haar krachten had verkregen en de aanwezigheid van de Heer aan haar zinnen duidelijk was geworden, wierp zij zich neer voor zijn Koninklijke Majesteit om Hem nederig zijn zegen te vragen en Hem vurig te danken voor het geschenk van zijn bezoek.
  4. De allervoorzichtigste vrouwe was verrast door deze gunst niet slechts omdat het nog slechts kort geleden was dat zij bij haar goddelijke Zoon vertoefde, maar ook omdat de Heer haar niet ingelicht had omtrent de tijd van zijn bezoek en haar grote deemoed had haar niet toegestaan te veronderstellen dat zijn goddelijke goedheid zich zou verwaardigen, haar enige verlichting in haar eenzaamheid te brengen! Aangezien dit de eerste gunst van deze soort was voelde zij zich geestelijk zeer verlegen. Zij bracht vijf uur in de aanwezigheid van het Woord door en geen van de apostelen wist iets van deze gunst ofschoon ze vermoedden dat er iets buitengewoons geschiedde, gezien de veranderingen in gelaat en houding van hun gezegende vrouwe. Geen van hen durfde echter naar de oorzaak daarvan vragen, gezien hun verlegenheid en eerbied. Zodra zij gewaar werd, dat haar Zoon naar de hemel wenste terug te keren, wierp zij zich opnieuw ter aarde, vroeg Hem zijn zegen en om zijn leiding bij het wegnemen van elke fout in haar houding, tot Hij haar in de toekomst wederom zou bezoeken. Zij vroeg deze gunst omdat de Heer zelf haar had aangeboden haar in haar eenzaamheid te bezoeken. Bovendien had zij zich, meermalen voor zijn hemelvaart (boek 4 par. 698; boek 5 par. 278, 210, 317), aan zijn voeten gevleid in erkenning van haar onwaardigheid en van haar gebrek aan vuur en Hem bedankt voor zijn gunsten, zoals ik reeds in het eerste deel verteld heb. Ofschoon zij zichzelf van geen enkele fout kon beschuldigen omdat zij, als de moeder van alle heiligheid geen zonden bedreef en ook als de moeder van alle wijsheid daartoe niet in staat was, liet de Heer toch toe, dat zij haar grote nederigheid en liefde in waardige erkenning van haar schuld tegenover God, als gewoon schepsel liet blijken. In haar allerverhevenste kennis en deemoed scheen alles wat zij deed slechts een kleine genoegdoening in vergelijking met de bovennatuurlijke weldaden. Deze ongelijkheid weet zij aan zichzelf en ofschoon dit geen fout genoemd kon worden, wenste zij toch de minderwaardigheid van aardse dingen in vergelijk met goddelijke volmaaktheid te erkennen.
  5. Onder de onuitsprekelijke mysteries en gunsten van haar goddelijke Zoon, onze Heiland, waren er ook die verband hielden met de waardige voorbereiding van de apostelen en de leerlingen op de komst van de heilige Geest. De grote koningin wist heel goed hoe achtenswaardig en goddelijk de weldaad was, die de Vader van alle Licht voor hen in petto hield; zij overwoog ook de menselijke genegenheid van de apostelen voor hun meester Jezus. Om dit gebrek in hen te verbeteren en hen in alles te vervolmaken zond zij, als liefhebbende moeder en machtige koningin, ten tijde van haar aankomst in de hemel met haar goddelijke Zoon enige van haar engelen naar het cenakel om haar boodschap aan de gelovigen haar eigen wil en die van haar Zoon kenbaar te maken: dat zij boven zichzelf moesten uitstijgen en in het vervolg meer door geloof en liefde tot God moesten leven dan in de activiteiten van hun vleselijke natuur; dat zij zich niet slechts alleen moesten laten leiden door het aanschouwen van Gods mensheid maar dat deze zou dienen om hen als poort en weg naar de Godheid te voeren, waar zij volledige voldoening en rust zouden vinden. Zulk een raad en aansporing moest de engel op last van de koningin aan de apostelen geven. Toen zij later, na de afdaling uit den hoge weer bij hen was, troostte zij hen in hun verdriet en verslagenheid door elke dag gedurende een uur met hen te spreken over de mysteries van het geloof, zoals zij door haar goddelijke Zoon was onderricht. Zij deed dit echter niet door formele instructie maar meer op de wijze van een conferentie, hen aansporende, ook nog een ander uur van de dag te besteden in discussies onder elkaar over de raadgevingen, beloften, leer en het onderricht van hun goddelijke meester Jezus en een verder deel van de dag door te brengen met het woordgebed, het Onze Vader en enige psalmen en de rest van de tijd door te brengen in geestelijk gebed. Tegen de avond moesten ze wat brood en vis tot zich nemen en dan niet te lang gaan slapen. Door deze gebeden en door dit vasten moesten zij zichzelf in de juiste stemming brengen voor de komst van de heilige Geest.
  6. De waakzame moeder, machtig geworden door de rechterhand van haar goddelijke Zoon, nam deze gelukkige familie onder haar hoede om al hun werken tot de hoogste volmaaktheid te brengen. Na haar afdaling uit de hemel instrueerde zij de apostelen, maar voordat zij deze plicht vervulde, wachtte zij steeds een opdracht daartoe van de heilige Petrus en de heilige Johannes af. Door haar gebeden bewoog zij haar goddelijke Zoon hen te inspireren met deze bevelen, opdat zij hen zou gehoorzamen als zijn plaatsvervangers en priesters. Zo geschiedde alles zoals het geregeld werd door de moeder van de nederigheid en zij gehoorzaamde als een dienares. Afziende van haar aanspraak op haar waardigheid als koningin en vrouwe en geen gebruikmakend van haar soevereiniteit en haar bestuursmacht, gehoorzaamde zij als een dienares en gedroeg zij zich alsof zij een ondergeschikte was en in deze geest onderhield zij zich met de apostelen en de andere getrouwen. Gedurende deze dagen verklaarde zij hen het mysterie van de gezegende Drie-eenheid in verheven, mysterieuze termen, aangepast aan het begrip van allen. Zij verklaarde ook het mysterie van de hypostatische vereniging en dat van de menswording en nog vele andere, die hen reeds onderwezen waren door de Meester, hen zeggende dat zij door de heilige Geest verlichting zouden ontvangen om deze dingen nog beter te kunnen begrijpen.
  7. Zij leerde hen het geestelijke gebed, waarbij zij de nadruk legde op de volmaaktheid en de noodzaak van dit soort gebed, hoe de voornaamste plicht en de meest hoogstaande bezigheid van het redelijke schepsel bestond uit het zichzelf oprichten, door begrip en wil, boven alles wat geschapen is tot de kennis en liefde van God en dat geen andere bezigheid, noch ander doel of bezigheid ooit deze plicht mag verdringen om de ziel deze uitzonderlijke weldaad, het begin van het eeuwige leven en het geluk niet te onthouden. Zij leerde hen ook, hoe de eeuwige Vader te danken voor het geschenk van zijn enige Zoon, onze Verlosser en Meester en voor de liefde waarmee de Heer ons verloste door zijn passie en dood. Zij spoorde hen aan God dank te brengen voor het uitzoeken van hen als zijn apostelen, als zijn metgezellen en stichters van de heilige Kerk. Dat waren de aansporingen en lessen maarmee de hemelse moeder in die tijd de harten van de elf apostelen en de andere leerlingen verlichtte en waarmee zij hen gereed en geschikt maakte om de heilige Geest en zijn goddelijke werking te ontvangen. Aangezien zij de diepste diepten van hun harten doorgrondde en de natuurlijke gesteltenis van elk hunner kende, paste zij zich aan de behoeften, de denkrichting en de genaden van elk hunner aan om hen met vreugde te vervullen en volharding en vertroosting te geven door het in praktijk brengen van de deugden. Zij spoorde hen aan de nederige teraardewerping en andere handelingen, gericht op aanbidding en verheerlijking van de grootheid en majesteit van de Allerhoogste, niet te verwaarlozen.
  8. Elke morgen en avond ging zij naar de apostelen om hun zegen te ontvangen, eerst die van de heilige Petrus, als hun hoofd, dan die van sint Johannes en van de anderen, volgens hun leeftijd. In het begin deinsde zij terug van deze ceremonie omdat ze in haar hun koningin en de moeder van de Meester Jezus zagen. Maar de allervoorzichtigste vrouwe drong er op aan, dat allen haar zouden zegenen als bedienaren en priesters van de Allerhoogste en zij verklaarde hen, dat hun de meest grote eer en respect toekwam uit hoofde van hun grote waardigheid en het hoge ambt! Aangezien dit een soort wedijver in nederigheid ontketende, was het zeker dat de moeder der deemoed zou overwinnen en de leerlingen zouden verliezen en van haar voorbeeld konden leren. Daarenboven waren de woorden van Maria zó minzaam en zo geschikt om hun harten te bewegen, dat zij ze met hemelse kracht voort deed snellen en hen inlichtte over de praktijk van de hoogste volmaaktheid in deugd en heiligheid. Toen ze deze wonderbaarlijke uitwerkingen in zichzelf waarnamen, spraken ze daar onder elkaar over en zeiden:

“Waarlijk, in dit zuivere schepsel hebben wij de leer en de vertroosting, die we nu niet meer van haar Zoon, onze Meester horen, teruggevonden. Haar woorden en daden, haar raadgevingen, haar minzame en lieve gesprekken, zijn geschikt om ons te leren en uit onszelf te halen op dezelfde wijze als het gesprek met de Heer, toen Hij nog in ons midden verkeerde. Onze harten worden ontvlamd door de onderrichting en de aansporingen van dit wonderbaarlijke wezen, zoals dit ook het geval was met Jezus, onze Verlosser. Er is geen twijfel aan dat Hij, als almachtige God, in de moeder van zijn Enig-geborene, zijn eigen goddelijke wijsheid en genade gestort heeft. Wij kunnen nu onze tranen drogen, omdat Hij voor deze onderrichting en troost een moeder en meesteresse heeft geschonken en Hij ons achtergelaten heeft met deze levende ark van het testament, waarin Hij voor ons zijn wet, zijn wonderbare staf en het zoetste manna voor ons onderhoud en welzijn heeft geplaatst”.

  1. Indien de heilige apostelen en de andere eerstgeboren kinderen van de Kerk hadden opgeschreven, wat zij als ooggetuigen hadden meegemaakt van haar daden van uitgelezen wijsheid; wat ze hoorden en wat er alzo geschiedde gedurende de gesprekken met haar over deze lange periode, dan zou onze voorstelling van de hoge en heldhaftige werken van deze oppermachtige vrouwe haar juiste hoogte bereiken. Dan zouden we gezien hebben, dat zowel in de leer die zij onderrichtte als in de wonderen die zij wrochtte, haar allerheiligste Zoon haar een deugd had meegegeven die, ofschoon ze van de Heer kwam als uit een bron, in de hemelse vrouwe op een bepaalde wijze goddelijk bleek en van haar uitging als vanuit een springbron, naar alle stervelingen. De apostelen hadden het geluk om de wateren van de Heiland en de lessen van zijn allerzuiverste moeder uit de originele bron te drinken. Zij ontvingen deze op een tastbare wijze, waardoor ze gereedgemaakt werden voor hun ambt ter bediening bij het stichten van de heilige Kerk en bij het planten van het evangelische geloof in de gehele wereld.
  2. Door het verraad en de dood van Judas, de meest ongelukkige onder alle mensen was zijn ambt, zoals David zegt, opengevallen en was het nodig een ander aan te stellen die waardig was dit apostolaat te vervullen (Ps 108,9). Het was immers de wil van de Allerhoogste, dat het aantal van twaalf, als het juiste aantal voor zijn apostelen, wederom het aantal zou zijn bij de komst van de heilige Geest. Dit decreet van de Heer werd aan de apostelen uitgelegd door de gezegende Maria in één van haar lessen. Zij allen stemden daarin toe en vroegen haar, als hun moeder en meesteresse, er een te kiezen die zij geschikt achtte voor het apostelambt. De heilige vrouwe wist op voorhand wie er gekozen zou worden, want de namen van de twaalf, inclusief die van de heilige Mattias, waren in haar hart geschreven, zoals reeds in het derde hoofdstuk vermeld is. Maar in haar diepe nederigheid en grote wijsheid oordeelde zij het juist (par. 28), dit over te laten aan de heilige Petrus, opdat hij in de nieuwe Kerk het ambt van opperpriester en hoofd, als plaatsvervanger van Jezus Christus, moest gaan uitoefenen. Zij droeg daarom de apostel op om deze verkiezing te houden in bijzijn van alle leerlingen en andere vrouwen, opdat allen zouden kunnen zien, dat hij optrad als hoofd van de Kerk. De heilige Petrus regelde alles in overeenstemming met haar wensen.
  3. Het verloop van deze eerste verkiezing in de Kerk wordt verhaald door de heilige Lucas in het eerste hoofdstuk van de Handelingen van de apostelen. Hij zegt dat in de dagen tussen de hemelvaart van Christus en de komst van de heilige Geest, de apostel Petrus de honderdentwintig personen (Hnd 1,15), die bij de hemelvaart aanwezig waren geweest, tezamen riep en hen herinnerde aan de profetie van David betreffende het verraad van Judas, die als gekozen apostel zich aan het hoofd stelde (Ps 41,10) van degenen die Jezus gevangen hadden genomen en dat men het geld van dit verraad de akker, genaamd Haceldama, gekocht was. Op het einde, zo zei Petrus, had hij zich, onwaardig als hij was voor de goddelijke barmhartigheid, opgehangen, was opengebarsten waarbij zijn ingewanden uit zijn lichaam gevallen waren, zoals bekend was in geheel Jeruzalem. Het was dus passend een nieuwe apostel in zijn plaats te kiezen, om te getuigen van de verrijzenis van de Heiland, in overeenstemming met een profetie van David (Ps 108,9) en dat degene die gekozen zou worden, voortkwam uit degenen die Christus, de Meester, in zijn prediking gevolgd waren sinds zijn doop door Johannes de Doper.
  4. Nadat hij alle getrouwen overtuigd had van de juistheid de twaalfde apostel te kiezen, lieten ze het aan sint Petrus over om de wijze van verkiezing vast te stellen. De apostel beval dan uit de tweeënzeventig leerlingen er twee, Jozef, de rechtvaardige genaamd en Mattias als kandidaten moesten worden aangewezen en dat uit deze twee de opvolger van Judas gekozen moest worden. Allen gingen akkoord met deze wijze van verkiezing, die in die tijd een zeer veilige weg was, aangezien de goddelijke kracht grote wonderen verrichtte voor de vestiging van de Kerk. Zij schreven de twee namen met de titel van leerling en apostel van Christus op evenzoveel kaartjes en plaatsten deze in een vaas, waarin ze niet gezien konden worden. Zij allen begonnen te bidden en vroegen God degene uit te zoeken die Hem aangenaam was, aangezien Hij aller harten kende. De heilige Petrus trok dan een van de loten waarop geschreven stond de naam van Mattias als apostel en leerling van Christus. Mattias werd met vreugde aangenomen als de wettige apostel en de elf omringden hem. De allerheiligste Maria, die bij al deze gebeurtenissen aanwezig was, vroeg zijn zegen, waarop alle gelovigen in navolging van haar dit ook deden. Daarna zetten allen hun gebeden en vasten door tot de komst van de heilige Geest.

Instructie die de koningin van de hemel, de allergezegendste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, gij hebt u terecht verwonderd over de verborgen hemelse gunsten, die ik uit handen van mijn Zoon ontving en over de nederigheid en dankbaarheid, waarmee ik ze ontving, alsook over de liefhebbende aandacht die ik schonk aan de behoeften van de apostelen en de getrouwen van de Kerk, ondanks mijn grote vreugde. Het is tijd, mijn liefste, dat gij de vruchten van deze kennis plukt, want méér kunt gij nu niet begrijpen, maar ik blijf niet minder van u verlangen dan dat gij voor mij een getrouwe dochter bent die mij ijverig navolgt en een leerling die mij aanhoort en mij volgt met heel haar hart. Wek uw geloof dan op om ervan overtuigd te zijn, dat ik macht heb om gunsten uit te delen; dat ik u met niet beknibbelde vrijgevigheid boven al uw verwachtingen gaven en geschenken zal doen toekomen. Maar tegelijkertijd dient gij u te verdeemoedigen tot in het stof en u terug te trekken op de laatste plaats onder alle schepselen, want uit uzelf zijt gij meer onbruikbaar als het laagste en verachtelijkste stof en kunt gij niets opsommen dat van uzelf is dan ellende en armoede. Beschouw in uzelf hoe groot en uitgelezen de minzaamheid en neerbuiging van de Allerhoogste tegenover u is en wat voor soort dank u Hem verschuldigd bent. Indien degene die zijn schulden geheel betaalt geen recht kan doen gelden op bijzondere verdienste, dan is het duidelijk dat gij, die uw schuld niet kunt voldoen, nederig moet blijven, want ook al zwoegt gij zwaar overeenkomstig al uw kracht, dan zult gij toch schuldenares blijven. Hoe groot zal dan wel uw schuld zijn als gij nalatig en onachtzaam bent in uw verplichtingen?
  2. Indien gij deze voorzichtige waakzaamheid begrijpt, hoe nauwgezet moet dan uw navolging van mijn levend geloof, mijn vertrouwvolle hoop en brandende liefde zijn; hoe groot de imitatie in diepe deemoed en in de aanbidding en verering, verschuldigd aan de oneindige grootheid van de Heer. Ik waarschuw u nogmaals tegen de geslepen waakzaamheid van de slang, die tracht de stervelingen af te houden van verering en aanbidding die toekomt aan God en in trots deze deugd en wat daarmee verband houdt, verwerpt. In de harten van de werelds en zondig ingestelden plant hij een dwaze vergetelheid van de katholieke waarheden, opdat het goddelijk geloof de vrees en de aanbidding van de Allerhoogste in hen niet meer levend houdt. Op deze wijze slaagt hij erin, ze gelijk te maken aan de heidenen, die de ware God niet kennen. Anderen die de deugd beoefenen en enige goede werken verrichten, worden door de vijand in een gevaarlijke lauwheid getrokken, waardoor ze over het hoofd zien wat ze verliezen door hun gebrek aan ijver. Zij, die zich met groter ernst op de volmaaktheid toeleggen, bedriegt de draak door hen een bepaald en overdreven vertrouwen bij te brengen zodat zij wegens de giften die zij ontvangen en wegens de goddelijke barmhartigheid die zij ondergaan, zichzelf als speciale uitverkorenen van de Heer gaan beschouwen, waardoor zij de nederige vrees en het eerbetoon vergeten, dat zij moeten ondergaan in de aanwezigheid van Hem, voor wie -zoals de heilige Kerk leert- de machten van de hemel beven. Maar aangezien ik u bij een andere gelegenheid herinnerd heb aan dit gevaar en u daarvoor heb gewaarschuwd, zal ik volstaan met het hier te noemen.
  3. Op deze wijze wens ik, dat gij getrouw en punctueel zult zijn bij de beoefening van deze les, waarbij gij haar toepast op al uw uitwendige handelingen zonder overdrijving en anderen daardoor lerend door uw voorbeeld de vrees en aanbidding van de schepselen voor hun Schepper te beoefenen. Het is mijn wens, dat gij deze kennis in het bijzonder bijbrengt aan uw religieuzen, zodat zij niet onkundig zijn van de nederigheid en eerbied waarmee zij zich tot God moeten wenden. De meest probate les, die gij kunt geven zal het voorbeeld zijn bij de vervulling van al uw verplichtingen, want deze werken moet gij niet in het verborgene verrichten noch overslaan uit vrees voor ijdel vertoon. Dit voorbeeld wordt in groter mate van degenen die anderen leiden verwacht, omdat het hun plicht is om aan te sporen, te bewegen en hun ondergeschikten te begeleiden in heilige vrees voor de Heer, hetgeen beter door het voorbeeld dan door woorden geschieden kan. Spoor hen aan, zeer speciaal de priesters als de gezalfden van de Heer, hoog te houden. Vraag hen, in mijn navolging, steeds om hun zegen bij hun komst en bij hun vertrek. Hoe meer gij uzelf bevoorrecht ziet door de goddelijke vrijgevigheid, des te meer dient gij attent te zijn op de noden en bezoekingen van uw naasten en de gevaren voor hen die gezondigd hebben, waarvoor gij moet bidden in groot geloof en vertrouwen. Want uw liefde voor God kan niet wáár zijn als gij u tevredenstelt met alleen zélf te genieten en intussen uw broeders te vergeten. Gij moet ijverig streven naar het hoogste Goed, waarvan gij alles afweet en waarin gij deelhebt, beschikbaar te stellen voor alle mensen, want geen is daarvan uitgesloten aangezien allen Gods hulp behoeven. In mijn liefde zult gij kunnen begrijpen hoe gij mij in alle dingen moet navolgen”.

De nederdaling van de heilige Geest over de apostelen en de andere gelovigen.  Verdere, zeer verborgen mysteries, die bij die gelegenheid voorvielen.

  1. In het gezelschap van de grote koningin van de hemel en bemoedigd door haar, wachtten de twaalf apostelen en de rest van de leerlingen en gelovigen in blijde stemming op de vervulling van de belofte van de Heiland, dat Hij hen de heilige Geest, de Trooster, zou zenden die hen zou instrueren over alles wat zij gehoord hadden bij het onderricht wat ze van de Heer ontvangen hadden (Joh 14,26). Zij waren zo eensgezind en in liefde verenigd, dat geen van hen gedurende deze dagen neigingen of gedachten had gekoesterd die afweken van die van de anderen. Zij waren één van hart en ziel in gedachten en handelingen. Ofschoon de verkiezing van de heilige Mattias had plaatsgevonden, was er geen beweging of teken van afgunst, geen wanklank gehoord onder deze eerstgeborenen van de Kerk en toch was dit een gebeurtenis, die dikwijls verschil van mening kan oproepen bij degenen, die overigens zeer goed gestemd zijn, omdat iedereen graag zijn eigen inzicht volgt en niet gemakkelijk instemt met de mening van anderen. Maar in deze heilige congregatie had de tweedracht haar intrede niet gedaan, omdat ze verbonden waren in gebed, in het vasten en in de verwachting van de heilige Geest, die zijn tenten niet opslaat in verscheurde en niet-toegevende harten. Om enigszins te beseffen hoe machtig deze eenheid in liefde was, niet slechts om hen geschikt te maken tot het ontvangen van de heilige Geest, maar ook tot afweer en verjaging van de kwade geesten, moet ik hier aan toevoegen, dat de duivelen, die sedert de dood van de Heiland terneergeslagen in de hel hadden gelegen, in zichzelf een nieuw soort onderdrukking en terreur voelden, die te danken was aan de deugdbeoefening van degenen die in het cenakel verzameld waren. Ofschoon ze dit niet konden verklaren, voelden ze een nieuwe schrikaanjagende kracht van die plaats uitgaan en toen ze de uitwerkingen van de leer en het voorbeeld van Christus ondervonden in het gedrag van de leerlingen, vreesden zij de ondergang van hun rijk.
  2. De koningin van de engelen, de allerheiligste Maria, wist in de volheid van haar wijsheid en genade de tijd en het vastgestelde uur voor de zending van de heilige Geest over de apostelen. Toen de dag van Pinksteren aanbrak (Hnd 2,1), -dit geschiedde vijftig dagen na de verrijzenis van de Heer, onze Verlosser- zag de allergezegendste moeder hoe in de hemel de mensheid van het Woord met de eeuwige Vader overlegde inzake de belofte, de goddelijke Trooster naar de apostelen te zenden en dat de tijd, vooraf bepaald door zijn oneindige wijsheid om het geloof te planten en al zijn gaven aan zijn heilige Kerk te schenken, nabij was. De Heer verwees ook naar de verdiensten die Hij, in het vlees, door zijn allerheiligst leven, zijn passie en dood verdiend had; naar de wonderen die door Hem gewrocht waren tot redding van het menselijke geslacht en naar het feit, dat Hij de Middelaar, de Advocaat en de Schakel was tussen de eeuwige Vader en de mensen en dat onder dezen zijn allerliefste moeder woonde, waarin de goddelijke Personen zoveel behagen schepten. Hij smeekte zijn Vader ook dat naast het brengen van genade en van onzichtbare gaven, de heilige Geest in de wereld in zichtbare vorm zou verschijnen om de evangelische wet op deze wijze te eren voor de gehele wereld; dat de apostelen en de getrouwen die de goddelijke waarheid zouden moeten verbreiden, aangemoedigd zouden worden en dat de vijanden van de Heer, die Hem in dit leven vervolgd en veracht hadden, tot aan zijn dood op het kruis, van vrees vervuld zouden worden.
  3. Dit gebed van onze Verlosser in de hemel werd ondersteund door de allerheiligste Maria op aarde op een wijze, die de barmhartige moeder van de gelovigen paste. Plat ter aarde, in de vorm van een kruis en onder de grootst mogelijke nederigheid, zag zij hoe in de boezem van de heilige Drie-eenheid het verzoek van de Heiland gunstig ontvangen werd en hoe, om dit te vervullen en uit te voeren, de Personen van de Vader en de Zoon, de oorsprong van waaruit de heilige Geest voortkomt, de actieve opdracht van de heilige Geest bepaald werd, want aan deze twee wordt de zending van de derde Persoon toegeschreven, omdat Hij van Beiden uitgaat. En de derde Persoon nam zonder weerstand deze zending op zich en stemde toe, naar de wereld te gaan. Ofschoon alle drie goddelijke Personen en hun activiteiten voortkomen uit dezelfde oneindige en eeuwige wil zonder enige ongelijkheid, verrichten toch dezelfde machten, die in alle Personen ondeelbaar en gelijk zijn, bepaalde werken ‘ad intra’ in elke Persoon, die niet in de anderen zijn en zo wordt het begrip verwekt in de Vader, niet in de Zoon, die verwekt is en de wil ademt voort uit de Vader en de Zoon en niet uit de heilige Geest, die voortgeademd wordt. Om deze reden wordt gezegd, dat de Vader en de Zoon, als het actieve principe, de heilige Geest ‘ad extra’ zenden, terwijl aan deze Laatste wordt toegeschreven, de Gezondene te zijn, alsof dit op passieve manier zou geschieden.
  4. Op de morgen van Pinksteren spoorde de gezegende maagd Maria de apostelen, de leerlingen en de godsvruchtige vrouwen, tezamen ongeveer honderdentwintig personen, aan, met nog groter ijver te bidden en hun vertrouwen te vernieuwen, aangezien het uur nabij was, waarop ze zouden bezocht worden door de goddelijke Geest vanuit de hoge. Op het derde uur, toen allen rond hun hemelse meesteresse verzameld waren en in gebed verzonken, weergalmde de lucht van een zware donderslag en het waaien van een hevige wind vermengde zich met de schittering van vuur of bliksem, die op het huis met het cenakel als middelpunt, neerdaalde. Het huis was in licht gebaad en het goddelijke vuur werd uitgestort over allen, die in deze bijeenkomst aanwezig waren. Over de hoofden van elk  van de honderdentwintig personen verscheen een tong van datzelfde vuur, waarin de heilige Geest gekomen was, waardoor iedereen vervuld werd door goddelijke impulsen en hemelse gaven, die in het cenakel en in geheel Jeruzalem tezelfdertijd de meest uiteenlopende gevolgen met zich brachten, afhankelijk van de verschillen tussen de personen die daardoor getroffen waren.
  5. De uitwerking van de nederdaling in de allerheiligste Maria was geheel goddelijk en wonderschoon in de ogen van de hemelse hovelingen, want wij mensen zijn nauwelijks in staat deze te begrijpen en te verklaren. De allerzuiverste vrouwe werd herschapen en verheven in God, want zij zag duidelijk en intuïtief de heilige Geest en genoot voor een korte tijd het zalig schouwen van de Godheid. Zij ontving meer goddelijke impulsen en gaven dan de gehele rest van de heiligen. Haar glorie in die tijd overtrof die van de engelen en de rechtvaardigen in de hemel. Zij gaf, geheel alleen, meer glorie, lof en dank aan de Heer dan geheel het heelal, voor de zegen van de nederdaling van zijn heilige Geest over zijn Kerk en voor de vele malen herhaalde beloften Hem te zenden en niet alleen te laten tot het einde der tijden. De gezegende Drie-eenheid was zó verheugd over het gedrag van Maria bij deze gelegenheid, dat zij zich volledig vergolden en schadeloos gesteld achtte voor de schepping van de wereld en niet slechts schadeloos gesteld, maar God handelde alsof Hij onder een bepaalde verplichting stond om zulk een schepsel-zonder-weerga te bezitten, waarop de Vader kon neerzien als een dochter, de Zoon als zijn moeder en de heilige Geest als zijn bruid en die Hij (alles in onze wijze van denken) nu verplicht was te bezoeken en te verrijken, na haar zo’n hoge waardigheid geschonken te hebben. In deze verheven en gezegende bruid waren alle giften en genaden van de heilige Geest vernieuwd, waardoor nieuwe uitwerkingen en activiteiten geschapen werden die alle ver boven ons bevattingsvermogen liggen.
  6. De apostelen waren eveneens, zoals de heilige Lucas zegt (Hnd 2,4) vervuld van de heilige Geest, want zij ontvingen een wonderbaarlijke toename van heiligmakende genade tot een zeer verheven graad. De twaalf apostelen werden bevestigd in deze heiligmakende genade en zouden deze nooit verliezen. In hen allen werden, overeenkomstig ieders conditie, de gesteldheden van de zeven gaven: Wijsheid, Begrip, Wetenschap, Godsvrucht, Raad, Sterkte en Vrees gestort. Door deze schitterende zegen, even nieuw als bewonderenswaardig in deze wereld, werden de twaalf apostelen geschapen tot passende bedienaren van het nieuwe testament en grondvesters van de evangelische Kerk (2Kor 3,6) voor de gehele wereld, want deze nieuwe genade en zegeningen brachten hen goddelijke kracht, probaat en lieflijk en maakten hen geneigd de meest heldhaftige deugden te beoefenen en de hoogste heiligheid te bereiken. Zo gesterkt baden zij, zwoegden zij gewillig tot het verwezenlijken van de meest moeilijke en veeleisende taken, verrichtten hun werkzaamheden zonder morren of omdat het moest, maar onder de grootste vreugde en opgewektheid.
  7. In alle andere leerlingen en gelovigen, die de heilige Geest in het cenakel ontving, had de Allerhoogste in verhouding dezelfde uitwerking, behoudens dat ze niet in de genade bevestigd werden zoals dit het geval was met de apostelen. Overeenkomstig ieders toestand werden giften en genaden in grotere of geringere overvloed uitgestort met het oog op de bediening, welke zij in de heilige Kerk zouden moeten bekleden. Dezelfde verhouding werd aangelegd met betrekking tot de apostelen, zodat de heilige Petrus en de heilige Johannes speciale gunsten ontvingen wegens de hoge ambten die ze zouden moeten bekleden, de een om de Kerk te leiden als haar hoofd en de ander als metgezel en dienaar van de koningin en meesteresse van hemel en aarde, de allerheiligste Maria. De heilige tekst van de heilige Lucas zegt dat de heilige Geest het gehele huis, waarin deze gelukkige bijeenkomst gehouden werd  (Hnd 2,2) vervulde, niet slechts omdat allen vervuld waren met de heilige Geest en zijn bewonderenswaardige gaven, maar omdat het huis zélf vervuld was met wonderschoon licht en pracht. Deze volheid van wonderen en bijzondere voorvallen vloeide over en deelde zich mee aan anderen, buiten het cenakel, want het veroorzaakte onderscheiden en afwisselende uitwerkingen van de heilige Geest onder de inwoners van Jeruzalem en omstreken. Al degenen die met enige godsvrucht medelijden getoond hadden met onze Heiland Jezus in zijn passie en dood en getracht hadden zijn allerzwaarste kwellingen af te wenden en zijn heilige Persoon vereerd hadden, werden innerlijk bezocht door een nieuw licht en nieuwe genaden, die hen later in staat stelden de leer van de apostelen te aanvaarden. Zij, die door de eerste preek van de heilige Petrus bekeerd waren, waren bijna allen betrokken geweest, door hun medelijden en smart, bij het lijden en de dood van onze Heiland en hadden op deze wijze grote verdiensten verworven. Andere rechtvaardigen, die zich in Jeruzalem buiten het cenakel bevonden, voelden eveneens grote innerlijke vertroosting, waardoor zij bewogen en voorbestemd werden door nieuwe genade-impulsen in ieder van hen door de heilige Geest verwekt.
  8. Niet minder wonderbaarlijk, ofschoon meer verborgen, waren enige tegengestelde effecten die door de heilige Geest op die dag in Jeruzalem geschapen werden. Door de verschrikkelijke donder en hevige beweging van de atmosfeer en de bliksemflitsen die zijn komst begeleidden, bracht Hij de vijanden van de Heer in die stad, ieder naar eigen boosaardigheid en trouweloosheid, in verwarring en beangstigde hen ten zeerste. Deze straf werd het duidelijkst ondervonden door degenen die daadwerkelijk hadden meegewerkt om de dood van Christus te verwezenlijken en die zich onderscheiden hadden in krankzinnige woede tegen Hem. Zij allen vielen met hun gezicht ter aarde en bleven gedurende drie uur in deze houding. Zij, die de Heer gegeseld hadden, snakten plotseling naar adem, terwijl hun bloed uit hun aderen spatte als straf voor het doen stromen van het bloed van de Meester. De vermetele dienaar die de Heer geslagen had, stierf plotseling en werd met lichaam en ziel in de hel geworpen. Andere Joden, alhoewel zij niet stierven, werden gekastijd met afgrijselijke pijnen en aangetast door vreselijke ziekten. Deze ongeregeldheden, gevolgen van het doen vloeien van het bloed van Christus, zouden doorwerken in hun nageslacht en tastten, zelf in onze dagen, hun kinderen met afschuwelijke onreinheden aan. Deze straffen werden berucht in Jeruzalem ofschoon de priesters en farizeeën ijverig trachtten dit geheim te houden zoals zij ook gedaan hadden met de verrijzenis van de Heiland. Aangezien deze voorvallen niet zo belangrijk waren, schreven noch de apostelen noch de evangelisten daarover. In de verwarring van de grote stad vergat de menigte alras deze gebeurtenissen.
  9. De kastijding en hevige schrik waren ook te merken in de diepte van de hel, waar de duivelen zich door nieuwe verwarring en verdrukking gedurende drie dagen voelden aangetast, juist zoals de Joden op aarde drie uur werden geteisterd. Gedurende deze drie dagen stootten Lucifer en zijn duivelen een verschrikkelijk gebrul uit en teisterden met nieuwe angsten en verwarringen alle vervloekten. O onuitsprekelijke sterke Geest! De heilige Kerk noemt U de vinger van God omdat Gij van de Vader en de Zoon voortkomt als de vinger van de arm en het lichaam, maar bij deze gelegenheid werd mij geopenbaard, dat Gij dezelfde oneindige macht hebt als de Vader en de Zoon. Door uw koninklijke aanwezigheid worden hemel en aarde bewogen door tegengestelde krachten op één en dezelfde tijd, maar ze zijn gelijk aan die welke ten tijde van het laatste oordeel zullen optreden. De heiligen en de rechtvaardigen vervult U met uw genade, uw gaven en uw onuitsprekelijke vertroostingen en de goddelozen en trotsen kastijdt Gij en werpt Gij ter aarde in verwarring en kwellingen. Waarlijk, hier zie ik vervuld wat Gij door de mond van David zegt, dat Gij een God der wrake zijt en vrijuit uw werk verricht, straf uitdelend aan de zondaars, opdat ze niet gloriëren in hun boosheid, noch in hun hart zeggen, dat Gij zoudt falen in het onderkennen van hun daden en hun zonden niet zoudt opmerken en ongestraft zoudt laten (Ps 94,1).
  10. Laat de lauwen in deze wereld dan begrijpen en de dwazen gewaarschuwd zijn, dat de Allerhoogste de ijdele gedachten van de mensen bekend is en dat, indien Hij vrijgevig en minzaam is voor de rechtvaardigen, Hij evenzeer gestreng is in het bestraffen van de zondaars. Het was passend, dat de heilige Geest zich bij deze gelegenheid zowel aan de eersten als aan de tweeden liet zien, want Hij kwam voort uit het mensgeworden Woord, dat de menselijke natuur had aangenomen voor het welzijn van de mensen; Die gestorven was voor hun redding en lijden en beledigingen ondergaan had zonder zijn mond te openen of genoegdoening te zoeken voor deze wandaden. Bij de komst in deze wereld was het juist, dat de Geest met grote ijver op zou komen voor de eer van ditzelfde mensgeworden Woord. Ofschoon Hij niet al zijn vijanden strafte, deed Hij door het bestraffen van de grootste schuldigen duidelijk uitkomen wat anderen, die Hem hadden getergd in hun koppige trots, indien zij zich niet bekeerden en berouw toonden, te verwachten hadden. Het was ook passend dat de weinigen die het Woord ontvangen hadden en Hem als hun Meester en Verlosser gevolgd waren en degenen die zijn geloof en leer zouden gaan prediken, beloond en uitgerust werden met de juiste middelen om de Kerk en de evangelische wet te stichten. De apostel zegt, dat het verlaten van vader en moeder en het zich verbinden met een vrouw (zoals ook Mozes gezegd had) een groot sacrament is in Christus en de Kerk (Gn 2,24; Ef 5,32), omdat Hij nederdaalde van de boezem van de Vader om zich daarmee te verenigen in zijn mensheid. Aangezien Christus dan uit de hemel kwam om met zijn bruid, de Kerk te zijn, is het duidelijk, dat de heilige Geest neerdaalde voor de allerheiligste Maria, die niet minder zijn bruid was dan Christus’ Kerk ten opzichte van Christus en die niet minder geliefd was door Hem dan de Kerk de geliefde was van Christus.

Instructies die de grote koningin van de hemel en onze vrouwe mij gaf.

  1. “Mijn dochter, de kinderen van de Kerk houden de weldaad van de Allerhoogste, waarbij Hij naast de zending van zijn Zoon als hun Meester en Verlosser, ook de heilige Geest in zijn Kerk zond, slecht in ere. Zó groot was de liefde, waarmee Hij trachtte hen naar zichzelf toe te trekken, dat Hij hen eerst zijn Zoon, die Wijsheid is (Joh 3,16), zond om hen dragers te maken van zijn goddelijke volmaaktheden en daarmee de heilige Geest, die liefde is, zodat allen verrijkt zouden worden op de wijze waartoe zij in staat waren. De goddelijke Geest wenste zijn nederdaling -voor de eerste keer- over de apostelen en de anderen rond hen verzameld voor de rest van de kinderen van de Kerk beschouwd te zien als borg en bewijs, dat Hij ook hen dezelfde gunsten en genaden zou schenken, indien allen zich openstelden om Hem te ontvangen. Als bewijs voor deze waarheid daalde de heilige Geest op velen neer in zichtbare vorm en onder zichtbare tekenen, omdat ze werkelijk getrouwe dienaren waren, nederig en ernstig, zuiver en in hun hart bereid om Hem te ontvangen. Zelfs in deze tijden komt Hij nog naar vele rechtvaardige zielen, ofschoon niet met zulke open manifestaties, want dat is noch geschikt, noch noodzakelijk. De innerlijke uitwerking en de gaven zijn alle van dezelfde natuur; zij werken, afhankelijk van de toestand en de staat van degene, die ze ontvangt.
  2. Gezegend is de ziel die verlangt en haakt naar deze weldaad en wenst deel te hebben aan dit goddelijke vuur dat verwarmt, verlicht en alles verteert wat aards en vleselijk is; dat zuivert en opheft tot een nieuw bestaan, een eenheid en deelgenootschap met God zelf. Dit geluk wens ik u, mijn dochter, als ware en liefhebbende moeder toe. Ik hoop, dat gij dit in zijn volheid bereiken kunt; ik spoor u nogmaals aan, uw hart voor te bereiden door onschendbare rust en vrede te bewaren bij alles wat u overkomt. De goddelijke barmhartigheid wenst u op te heffen tot een verheven en veilige woonplaats, waar de kwellingen van uw geest zullen ophouden en waar de aanvallen van wereld noch hel u kunnen bereiken, waar de Heer in uw eigen rust zal rusten en in u een waardige woonplaats en een tempel zal vinden voor zijn glorie. Gij zult de aanvallen en de bezoekingen van de draak tegen u niet kunnen ontlopen, maar blijf leven in voortdurende oplettendheid, zodat gij niet verward of verontrust wordt in het binnenste van uw ziel. Bescherm uw schatten in het geheim; geniet van de vreugden die de Heer u bereidt, de lieflijke gevolgen van zijn kuise liefde, de invloeden van zijn heilige wijsheid, want wat dit betreft heeft Hij u onder vele generaties uitgezocht en met de grootste vrijgevigheid behandeld.
  3. Wees dan voorzichtig met uw roeping en verzeker u ervan, dat de Allerhoogste u opnieuw het deelgenootschap en de gemeenschap met de heilige Geest en al zijn gaven blijft schenken. Herinner u echter dat, indien Hij deze schenkt, Hij de vrijheid van uw wil niet van u wegneemt, want Hij laat de keuze tussen goed en kwaad steeds over aan de persoon zelf. Daarom moet gij, vertrouwende op de goddelijke gunst, zorgvuldig zijn in uw besluit mij na te volgen in de werken die u van mijn leven getoond worden en nooit de uitwerking van de giften van de heilige Geest verhinderen. Opdat gij deze, mijn leer, nog beter zult begrijpen, zal ik u de uitwerking van zijn zeven gaven verklaren.
  4. De eerste, de gave van WIJSHEID vervult de geest met de kennis en de vreugde van goddelijke zaken en beweegt het hart tot ware liefde voor de praktijk en beoefening van alles wat goed is, alles wat best is, volmaakt en aangenaam in de ogen van de Heer. Met deze impuls moet gij meewerken, uzelf geheel overgevend aan het welbehagen van zijn goddelijke wil en alles verachtend dat u zou kunnen hinderen, onafhankelijk van het feit hoe aangenaam het schijnt voor uw neigingen en verlokkend voor uw begeerten. Wijsheid wordt geholpen door de tweede gave, het VERSTAND, dat extra licht geeft om diepgaand door te dringen in de problemen, die aan het begrip worden voorgelegd. Met deze gave moet gij meewerken door uw belangstelling af te wenden, uw gedachten te onttrekken van alle vreemde gebieden van kennis, die de duivel, hetzij door hemzelf of door andere schepselen, voor uw geest zal toveren om u te verstrooien en u ervan te weerhouden diep door te dringen in de waarheid van de goddelijke zaken. Dit soort verstrooiing verwart de geest ten zeerste, want de twee soorten kennis zijn onverenigbaar met elkaar en telkens wanneer de beperkte vermogens van een mens verdeeld worden in hun aandacht over de onderwerpen, dringen ze minder diep daarin door, dan wanneer al hun activiteiten op één onderwerp gericht waren. Hierin wordt bewaarheid wat het evangelie zegt: dat niemand twee heren kan dienen (Mt 6,24). Als de gehele aandacht van de ziel op deze wijze gericht is op begrip van het goede, dan is de derde gave: STERKTE nodig, om vastberden alles uit te voeren wat het verstand als allerheiligst, volmaakt en aangenaam voor de Heer heeft waargenomen. De moeilijkheden en beletselen bij het najagen van het goede dienen overwonnen te worden door sterkte, waarbij het schepsel gereedgemaakt wordt om te lijden, te zwoegen in smart, om niet vervreemd te worden van het ware en hoogste Goed dat tot zijn kennis gekomen is.
  5. Maar het geschiedt dikwijls dat natuurlijke onkunde en twijfel, gepaard aan bekoringen, het schepsel weerhouden de besluiten en gevolgen van de goddelijke waarheid te volgen en op deze wijze beletselen vormen voor het beoefenen van wat het volmaaktste is. Daarom geeft God, tegen de valse voorzichtigheid van het vlees, de vierde gave, de KENNIS die licht geeft om onderscheid te kunnen maken tussen twee soorten goed, de meest zekere en veilige weg leert en daarover beslist, indien noodzakelijk. Daarbij komt nog de gave van de GODSVRUCHT, de vijfde gave, die de ziel met zachte drang neigt naar alles wat waarlijk aangenaam en aanvaardbaar is voor de Heer en wat tot werkelijk geestelijk voordeel is voor degenen die dit beoefent. Zij doet de schepselen deze dingen niet door de natuurlijke hartstochten najagen maar door heilige, volmaakte en deugdzame motieven! Dan is er nog de zesde gave, RAAD genaamd, opdat de mens geleid zal worden door grote voorzichtigheid. Zij ondersteunt het begrip, opdat er met exactheid opgetreden wordt en niet met stoutmoedigheid; de middelen afwegend en in zichzelf te rade gaande en op discrete wijze met anderen overleggend wat de juiste middelen in elk geval moeten zijn. Daar komt als laatste en zevende gave nog de VREZE bij, die alle andere beschermt en haar zegel op alle drukt. Deze gave neigt het hart om te vluchten en alles te vermijden wat onvolmaakt is, alles wat gevaarlijk of vreemd is aan deugd en volmaaktheid van de ziel en de ziel dus dienende als een beschermende muur. Het is noodzakelijk het voorwerp en de wijze van optreden van deze heilige vreze te begrijpen, opdat zij niet overdreven wordt en het schepsel doet vrezen waar dit niet nodig is. Zoiets is u meermalen overkomen door de sluwheid van de slang toen hij, onder het mom van de heilige vrees, u trachtte te verstrikken in ongeregelde verlangens naar de weldaden van de Heer. Maar door deze instructie weet gij nu, hoe u van de heilige vreze gaven van de Allerhoogste moet verwerven en uzelf voor hen geschikt dient te maken. Ik herinner u er aan en vermaan u, dat deze wetenschap van de heilige vreze is de vergezeller van de gaven, die u van de Allerhoogste ontvangen hebt en dat zij de ziel met lieflijkheid, vrede en rust vervult. Zij stelt het schepsel op juiste wijze in staat de gaven op juiste waarde te schatten. Zij komt uit de machtige hand van de Almachtige, geen van hen is onbelangrijk noch verhindert deze vreze een juiste schatting van elk hunner. Zij spoort de ziel aan dank te betuigen met al haar krachten en zichzelf tot in het stof te verdeemoedigen. Door deze waarheden te begrijpen, zonder fouten daarbij te maken en door de lafhartige vrees van slaven te onderdrukken, zult gij vervuld worden van kinderlijke vreze, die u als leidster zal helpen om veilig deze oceaan van tranen te bevaren”.

 

 

Jezus stijgt op ten Hemel

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”, deel 6; visioenen aan moeder Abdis Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/05/10/jezus-stijgt-op-ten-hemel-waar-gebeurd-verhaal/

easter27bChristus, onze Verlosser, stijgt op ten Hemel, gevolgd door alle heiligen in zijn gezelschap; Hij laat zijn heilige Moeder tot Hem komen en stelt Haar in het bezit van de glorie.

  1. Het veelbelovende uur, waarin de Enig-geborene van de eeuwige Vader, na vanuit de hemel te zijn nedergedaald om het menselijk vlees aan te nemen, zou opstijgen, op eigen kracht, op wonderbaarlijke wijze, naar de rechterhand van God, de Erfgenaam van zijn eeuwigheden, één en gelijk aan Hem in natuur en oneindige glorie, brak aan. Hij moest ook opklimmen, omdat Hij tevoren de laagste regionen van deze aarde had bezocht (Ef 4,9), na alles vervuld te hebben wat geschreven en geprofeteerd was over zijn komst in deze wereld, zijn leven, dood en de verlossing van de mensen en na als de Heer van al het geschapene te zijn doorgedrongen tot het midden van de aarde. Door deze hemelvaart bezegelde Hij alle mysteries en verhaastte de vervulling van zijn belofte, in overeenstemming waarmee Hij, met de Vader, de Trooster naar zijn Kerk zou zenden, nadat Hijzelf ten hemel zou zijn opgeklommen. Om deze feestelijke en geheimenisvolle dag te vieren had Christus, onze Heer, als getuigen gekozen de honderd en twintig personen, die Hij in het cenakel had toegesproken. Zij bestonden uit de allerheiligste Maria, de elf apostelen, de tweeënzeventig leerlingen, Maria Magdalena en Lazarus, haar broer, de andere Maria’s en de gelovige mannen en vrouwen, die tezamen het bovengenoemde aantal van honderd en twintig uitmaakten.
  2. Met deze kleine kudde en zijn allergezegendste moeder aan zijn zijde, verliet onze goddelijke Herder Jezus het cenakel en leidde Hij hen allen door de straten van Jeruzalem. De apostelen en al hun volgelingen gingen in de richting van Betanië, dat niet meer dan een halve mijl over de top van de Olijfberg gelegen was. Een gezelschap, bestaande uit engelen en heiligen uit het voorgeborchte, volgde de Overwinnaar, nieuwe lofgezangen zingend, ofschoon slechts Maria het voorrecht had hen te zien. De verrijzenis van Christus van Nazareth was als een lopend vuur door Jeruzalem en Palestina gegaan. Ofschoon de trouweloze en boosaardige prinsen en priesters de valse getuigenis over het ontvreemden van het lichaam hadden verspreid, wilden toch maar weinigen hun getuigenis aanvaarden of daar geloof aan hechten. De goddelijke Voorzienigheid had het zo geregeld, dat geen van de inwoners van de stad en geen van de ongelovigen of twijfelaars enige aandacht zouden besteden aan deze heilige optocht of deze zouden hinderen op zijn weg vanuit het cenakel. Allen, uitgezonderd de honderd en twintig rechtvaardigen, die door de Heer waren uitverkoren om getuige te zijn van zijn Hemelvaart, werden ten rechte gestraft door het verborgen houden van dit wonderbaarlijke mysterie. Het Hoofd van de processie bleef onzichtbaar voor hen.
  3. Onder de geheimhouding, die de Heer hen verzekerde, bestegen allen de Olijfberg tot aan het hoogste punt. Daar vormden zij drie koren, een van engelen, een van heiligen en een derde van apostelen en getrouwen, wederom gesplitst in twee groepen, terwijl Christus hen allen voorging. Toen wierp de allervoorzichtigste moeder zich ter aarde aan de voeten van haar Zoon en terwijl zij Hem onder de grootste nederigheid aanbad, vroeg zij Hem zijn laatste zegen. Alle getrouwen die daar aanwezig waren, volgden haar na: zij deden hetzelfde. Wenend en zuchtend vroegen zij de Heer of Hij nu het koninkrijk van Israël zou herstellen. De Heer zei, dat dit een geheim was van de eeuwige Vader en dat dit niet aan hen zou worden meegedeeld. Maar voor de periode waarin zij leefden was het noodzakelijk en passend, dat zij de heilige Geest zouden ontvangen en dat zij zouden prediken, in Jeruzalem, in Samaria en in de gehele wereld en de geheimenissen van de verlossing van de wereld zouden bekend maken.
  4. Nadat Jezus afscheid had genomen van deze heilige en gelukkige bijeenkomst, vouwde Hij zijn handen en terwijl zijn gelaat vrede en majesteit uitstraalde, begon Hij uit eigen kracht van de aarde op te stijgen onder achterlating van de afdrukken van zijn voeten. Zacht voortwiekend naar de hogere regionen trok Hij ogen en harten van zijn eerstgeboren kinderen, die onder zuchten en tranen blijk gaven van hun gevoelens voor Hem, naar zich toe.  En aangezien het passend is, dat bij het voortbewegen van de eerste oorzaak van elke beweging ook de lagere sferen zich in beweging zetten, trok de Heiland Jezus de hemelse koren van engelen -enigen met lichaam en ziel, anderen uitsluitend wat betreft hun ziel- met zich mee. Allen werden in hemelse volgorde opgeheven van de aarde; zij vergezelden hun Koning, Leider en Hoofd. Het nieuwe en mysterieuze sacrament dat de rechterhand van de Allerhoogste bij deze gelegenheid voor zijn moeder verrichtte was, dat Hij haar met Hem deed opstijgen om haar in het bezit te stellen van de glorie, die Hij voor haar als zijn ware moeder bereid had en die zij door haar verdiensten had verworven voor zichzelf. Deze genade had de grote koningin reeds verkregen voordat het feit zelf plaatsvond, want haar goddelijke Zoon had haar dit geschenk aangeboden in de tijd, die Hij met haar, na zijn verrijzenis verbleef. Opdat dit sacrament een geheim zou blijven voor alle andere levende schepselen in die tijd en opdat de hemelse meesteresse aanwezig zou zijn in de bijeenkomst van de apostelen en de getrouwen, die de komst van de heilige Geest verwachtten, (Hnd 1,14), maakte de goddelijke kracht het aan de gezegende moeder mogelijk tegelijk in twee plaatsen te zijn. Zij zou met de kinderen van Christus, gedurende hun verblijf in het cenakel, verblijven en tezelfdertijd opstijgen met de Verlosser van de wereld, naar zijn hemelse troon, waar zij voor drie dagen zou verwijlen. Daar kon zij al haar krachten en vermogens ten volle gebruiken, iets wat haar in het Cenakel onmogelijk was.
  5. De allergezegendste vrouwe werd opgeheven met haar goddelijke Zoon en aan de rechterhand geplaatst in vervulling van wat David zei: “De koningin zat aan zijn rechterhand, gekleed in gulden kledij door de pracht van zijn glorie en omgeven door de verscheidenheid van zijn gaven en genaden, ten aanschouwen van de opstijgende engelen en heiligen”.  Opdat dit verbazingwekkende mysterie de godsvrucht en het geloof van de getrouwen moge verlevendigen en dat het hen ertoe moge brengen, de Schepper van dit uitzonderlijke en onvoorstelbare wonder te verheerlijken, deel ik wederom allen die dit lezen mee, dat vanaf de tijd dat de Allerhoogste mij opdroeg en later gedurende vele jaren het bevel herhaalde om deze geschiedenis te schrijven, Hij aan mij verschillende mysteries en grote geheimenissen heeft meegedeeld, gedeeltelijk reeds beschreven en gedeeltelijk nog te schrijven, want de verheven natuur van deze geschiedenis maakte een dusdanige voorbereiding en voorbeschikking noodzakelijk. Ik heb deze openbaringen niet alle tegelijk ontvangen, want de begrenzing van een schepsel zou een dergelijke overmaat niet verdragen. Maar opdat ik in staat zou zijn alles te beschrijven, werd mij voor elk mysterie in het bijzonder nieuw inzicht gegeven. Dit soort inzicht werd mij gewoonlijk gegeven op de feesten van Christus onze Heer en op die van de hemelse vrouwe. Het grote sacrament van Maria’s tenhemelopneming met haar goddelijke Zoon op zijn hemelvaart en van het verblijf van haar tezelfdertijd in het cenakel, werd mij in vele opeenvolgende jaren getoond op het feest van de hemelvaart van Christus.
  6. Indien de goddelijke waarheid gekend wordt en wordt overwogen in God zelf, waarin slechts Licht is zonder schijn van duisternis en waar zowel het voorwerp als de oorzaak duidelijk is, dan wordt er zekerheid geschapen zonder enige twijfel (1 Joh 1,5). Maar zij die deze mysteries van anderen horen, dienen hun vroomheid op te wekken en geloof te vragen in die dingen die duister lijken. Uit deze overweging voel ik aarzeling om over het verborgen sacrament van dit bezoek van onze koningin aan de hemel te schrijven, ware het niet dat het weglaten van zulk een groot en belangrijk wonder een ernstig hiaat in deze geschiedenis zou betekenen. Deze aarzeling beving mij, toen ik voor de eerste keer in kennis werd gesteld van dit mysterie, maar nu, na alreeds in het eerste deel te hebben verteld, dat het kind Maria bij haar geboorte werd opgeheven tot de hoogste hemel en in het tweede deel, dat zij twee keer werd opgeheven gedurende de negen dagen van voorbereiding voor de menswording, aarzel ik niet meer om dit wonder te beschrijven. Als de goddelijke kracht zulke bewonderenswaardige genaden aan de gezegende Moedermaagd schonk, voordat zij de moeder van God werd, dus gedurende de voorbereiding op deze waardigheid, zal het nog meer geloofwaardig zijn, dat Hij dit zou herhalen, nadat zij geconsacreerd was, door Hem in haar maagdelijke schoot te  dragen,

-nadat zij Hem gevormd had uit haar zuiver bloed,

-na Hem aan haar borst gevoed te hebben en

-Hem grootgebracht te hebben als een ware Zoon, na Hem dertig jaar gediend te hebben,

-Hem gevolgd en nagevolgd te hebben in zijn leven,

-in zijn lijden en dood

-met een voor menselijke woorden onuitsprekelijke trouw.

  1. Bij het onderzoek van deze mysteries en speciale genaden, die ontvangen werden door de gezegende moeder valt op, dat de reden waarom de Allerhoogste ze tot stand bracht, geheel verschilt van de redenen waarom ze gedurende zoveel eeuwen geheim gehouden zijn in de Kerk. Indien we het eerste beschouwen, moeten we geleid worden door onze kennis van de goddelijke kracht en van de liefde van God voor zijn moeder en tevens door onze kennis van zijn verlangens,  haar tot een waardigheid boven alle schepselen te verheffen. Aangezien mensen in hun sterfelijk vlees nooit volledig de waardigheid van die moeder kunnen kennen, noch haar liefde, noch de liefde van haar Zoon of die van de gezegende Drie-eenheid en de verdiensten en heiligheid haar toebedeeld door de Almachtige kunnen bevroeden, dreigt hun onkunde grenzen te stellen aan de goddelijke macht in zijn activiteiten. God deed voor haar alles wat Hij kon en dat was juist zoveel als Hij wenste te doen. Maar Hij deelde zich aan haar op zeer speciale wijze mede, namelijk om een Zoon van haar wezen te worden, daarom volgt hier natuurnoodzakelijk uit dat, wat de genade betreft, Hij haar op zeer bijzondere wijze behandelde, zo als geen ander paste, niemand uit het gehele menselijke ras. Daarom kwamen haar niet slechts uitzonderlijke genaden, weldaden en zegeningen van de Almachtige toe, maar de wijze van beoordeling moest zo zijn dat, na zijn eigen heilige mensheid, niets dat ook maar kon bijdragen tot haar glorie, haar onthouden werd.
  2. Maar wat betreft de openbaring van deze wonderen in zijn Kerk, wordt de hoge Voorzienigheid van God, die dit alles bestuurt en nieuwe schitteringen aanbrengt in overeenstemming met de omstandigheden, die de tijd meebrengt, geleid door andere overwegingen. Want de gelukkige dag van de genade, die voor de wereld aanbrak in de menswording van het Woord en in de verlossing van de mensen, heeft zijn ochtend en zijn middag en zelfs zijn avondtijd en dit alles wordt door de goddelijke Wijsheid geregeld, wanneer en hoe dit opportuun wordt. Ofschoon alle geheimenissen van Christus en zijn moeder in de heilige Schrift geopenbaard zijn, worden ze toch niet allen op dezelfde tijd duidelijk, want de Heer trekt de sluier van getallen, vergelijkingen en raadselachtige teksten, waaronder vele van deze geheimenissen verborgen zijn, beetje bij beetje weg. Juist zoals de stralen van de zon onder een voorbijtrekkende wolk verborgen zijn, waren ze bedekt en verborgen, totdat enige van de vele stralen van het goddelijke Licht op de mensen zou vallen. Zelfs de engelen, ofschoon ze in algemene zin opmerkzaam waren gemaakt op de menswording wat betreft hun dienstverlening aan de mensen, waren zij niet op de hoogte van alle omstandigheden, effecten en condities van dit mysterie: zij kwamen ze geleidelijk te weten in de loop van de 5200 jaar van de schepping tot aan de menswording. De verwerving van nieuwe kennis was oorzaak van voortdurende bewondering en hernieuwde lof en glorie voor de Schepper van deze mysteries, zoals ik reeds in het verloop van deze geschiedenis heb meegedeeld. Ik geef dit voorbeeld ter beantwoording van enige verwondering die zou kunnen opkomen bij hen, die deze mysterieuze verheffing van de allergezegendste Maria vernemen, die, met menig ander geheimenis, reeds beschreven of alsnog te beschrijven, verborgen was, totdat de Allerhoogste bereid was ze te openbaren.
  3. Voordat ik deze redenering kon begrijpen en toen ik voor het eerst van Christus’ wonder, dat Hij zijn gezegende moeder mee had genomen ten hemel, vernam, was ik zeer verbaasd niet slechts wat mijzelf betrof maar ook voor degenen, die dit zouden vernemen. Onder de vele dingen die de Heer mij toen zei was ook, dat ik mij moest herinneren wat de heilige Paulus over zichzelf aan de Kerk meedeelde, wanneer hij verhaalt over zijn geestvervoering in de derde hemel -waar de gelukzaligen zijn- en hoe hij twijfelde of hij was opgenomen in het lichaam of buiten het lichaam, waarover hij geen uitsluitsel durfde geven, maar veronderstellende dat beide mogelijkheden waar konden zijn. Dit maakte ineens een einde aan mijn moeilijkheden, want als zoiets als met het lichaam opgenomen te worden kon geschieden aan een apostel bij het begin van zijn bekering, terwijl hij geen verdiensten maar slechts zonden op zijn rekening had en indien het geven van een dergelijk voorrecht geen gevaar inhield voor Gods Kerk, hoe kan er dan iemand zijn die twijfelt aan het feit dat God hetzelfde voorrecht schenkt aan zijn moeder, in het bijzonder nadat zij zulke onuitsprekelijke verdiensten en heiligheid bereikt had?  De Heer voegde hier nog aan toe dat, indien enige van de heiligen die in het lichaam oprezen met de verrezen Christus, het voorrecht genoten om met het lichaam op te stijgen, zouden er dan werkelijk geen betere redenen bestaan om dezelfde genaden aan zijn allerzuiverste moeder te schenken?  Zelfs indien geen van de stervelingen ooit deze onderscheiding te beurt was gevallen, zou het nog passend geweest zijn, dat Maria ze toebedeeld kreeg, omdat zij met de Heer geleden had. Het was niet meer dan billijk, dat zij zijn triomf zou delen door het in bezit nemen van de glorie aan de rechterhand van de Allerhoogste, aangezien zij, als zijn moeder Hem van haar wezen zijn menselijke natuur had gegeven, waarin Hij nu triomfantelijk naar de hemel opsteeg. En juist zo passend als het was, dat zij niet van haar Zoon in de glorie gescheiden werd, zo billijk was het ook, dat geen mens van het menselijk geslacht met ziel en lichaam naar de genietingen van de eeuwige glorie zou komen vóór de gezegende Maria, zelfs niet haar moeder of vader, haar bruidegom Jozef of iemand van de anderen. Zij allen, inclusief de Heiland, haar Zoon Jezus, zouden minder genoten hebben van hun vreugde, indien de allergezegendste Maria, als de moeder van de Verlosser en de koningin van de gehele schepping, die een dusdanige zegening meer dan wie ook verdiende, zou uitgesloten zijn van haar opgang naar de hemel op die dag.
  4. Deze argumenten schijnen mij voldoende toe om de kennis van dit mysterie te grondvesten en van de vreugde en troost, die daaraan uit kunnen gaan op te wekken. Dit is nodig omdat dit mysterie en nog vele andere in het derde deel van deze levensgeschiedenis van Maria behandeld zullen worden. Keren wij nu terug naar mijn geschiedenis, waarbij wij zien dat de Heer zijn gezegende moeder op zijn hemelvaart met zich nam naar de hemel en haar met pracht en glorie omgaf temidden van de bewonderende scharen engelen en heiligen. Het was ook passend, dat de apostelen en andere getrouwen gedurende die tijd onkundig waren van dit mysterie, want indien ze hun moeder en meesteres hadden zien opstijgen met Christus, zou hun droefheid alle grenzen te buiten zijn gegaan en ontroostbaar geweest zijn. Niets kon hen meer troosten over het heengaan van Christus dan het gevoel, dat zij toch altijd nog hun allergezegendste vrouwe en moeder in hun midden hadden. Zelfs nu nog rezen hun zuchten op, stortten zij tranen uit het diepst van hun harten, toen ze hun geliefde Meester en Verlosser zagen verdwijnen naar de hogere regionen. En toen ze Hem ongeveer uit het oog verloren waren, schoof een prachtig glanzende wolk zich tussen Hem en de achterblijvers op de aarde die Hem geheel aan het oog onttrok. Toen daalde de Persoon van de eeuwige Vader uit de hemel naar de luchtregionen om de Zoon en de moeder te ontmoeten. De Zoon keerde terug naar de nieuwe wijze van bestaan, die Hijzelf geschapen had. De eeuwige Vader sloot Hen in zijn omarming van oneindige liefde tot vreugde van de engelen, die de Vader in ontelbare koren vanuit zijn hemelse zetel begeleid hadden. In een korte tijdsspanne werden de elementen en de hemellichamen voorbij gestreefd en arriveerde de goddelijke processie in de zevende hemel. Bij hun binnenkomen spraken de engelen, die van de aarde meegekomen waren en zij die Jezus en Maria tegemoet gegaan waren, tot degenen die in de hemel waren achtergebleven en herhaalden die woorden van David en vele anderen, die op dit mysterie betrekking hadden.
  5. “Opent, gij prinsen, open uw eeuwige poorten; laat ze oprijzen en ontvang in zijn woning de grote Koning van glorie, de Heer van alle deugden, de Machtige in het gevecht, de Sterke en Onoverwinnelijke die komt, triomferend en zegevierend over al zijn vijanden. Opent de poorten van het paradijs en laat hen open en vrij voor eeuwig, want de nieuwe Adam komt, de Hersteller van het gehele menselijke geslacht, rijk in barmhartigheid, overvloeiend van verdiensten, die zijn rijke verlossing door zijn dood in de wereld heeft voortgebracht. Hij heeft ons verlies goedgemaakt en heeft de menselijke natuur tot de hoge waardigheid van zijn eigen grootheid opgeheven. Hij komt met de heerschappij over de uitverkorenen en de verlosten, die Hem door de eeuwige Vader gegeven zijn. Nu heeft zijn vrijgevige goedheid aan de stervelingen de macht om het recht, verloren door de zonde, wederom te winnen en het eeuwige leven te verdienen, door te gehoorzamen aan zijn wet, als zijn broeders en mede-erfgenamen van de goederen van zijn Vader. En tot zijn meerdere eer en onze grote vreugde brengt Hij met Hem en aan zijn zijde mede de moeder van barmhartigheid, die Hem de vorm van het man-zijn gaf om de duivel te kunnen overwinnen. Zij komt als onze lieftallige en schone koningin, eenieder die haar ziet met vreugde vervullend. Komt tevoorschijn, komt tevoorschijn, gij hemelse hovelingen en gij zult onze zeer schone Koning met de kroon, Hem door zijn moeder gegeven en zijn moeder, gekroond met de glorie door haar Zoon, aanschouwen”.
  6. Temidden van deze jubel en andere vreugde-uitingen, die al onze concepties te boven gaan, naderde deze nieuwe processie de zevende hemel. Tussen de twee koren van engelen en heiligen deed Christus met zijn gezegende moeder zijn intrede. Zij allen gaven, in hun rangen, eer aan Ieder van hen afzonderlijk en aan Beiden tegelijk, terwijl ze hymnen van lof en eer bewezen in zangen voor de Schepper van genade en leven. Toen plaatste de eeuwige Vader het mensgeworden Woord op de troon van zijn Godheid, aan zijn rechterhand onder zulk een glorie en majesteit, dat Hij alle inwoners van de hemel vervulde met nieuwe bewondering en eerbiedige vrees. In klare, intuïtieve visie herkenden zij de oneindige glorie en volmaaktheid van de Godheid, onafscheidelijk en vast verbonden in één Persoonlijkheid aan de allerheiligste mensheid, schitterend en verheven door de grootheid van deze vereniging, zoals geen ogen gezien hebben noch oren gehoord hebben, noch ooit in de gedachten van schepselen is opgekomen.
  7. Bij deze gelegenheid bereikte de wijsheid van onze aller-deemoedigste koningin haar hoogste punt, want overweldigd door al deze goddelijke en bewonderenswaardige genaden zat zij, bewust van haar nederige status van gewoon aards schepsel aan de voeten van de troon. Ter aarde geworpen aanbad zij de Vader en barstte los in nieuwe lofzangen over de glorie, die de Zoon ten deel was gevallen en over de schitterende hoogte, waarop de vergoddelijkte mensheid in Hem verheven was. De engelen en heiligen werden opnieuw vervuld van bewondering en vreugde bij het zien van de zeer voorzichtige deemoed van hun koningin. Zij wedijverden onder elkaar om dit levende voorbeeld van deugd na te volgen. Toen werd de stem van de eeuwige Vader gehoord, zeggende: “Mijn dochter, stijg hoger op”. Haar goddelijke Zoon sprak Haar ook toe, zeggende: “Mijn moeder, sta op en neem bezit van de plaats, die Ik u schuldig ben, omdat gij Mij nagevolgd hebt”. De heilige Geest zei: “Mijn Bruid en Geliefde, kom in mijn eeuwige omarming”.  Daarop werd het decreet van de allerheiligste Drie-eenheid aan alle zaligen bekendgemaakt: De allergezegendste moeder werd verheven en aan de rechterhand van haar Zoon, voor alle eeuwigheid, geplaatst, omdat zij haar eigen levensbloed voor de Menswording gegeven had en zij de Zoon gevoed, gediend, nagevolgd en gevolgd had met alle volmaaktheid, die voor een gewoon schepsel maar mogelijk is. Geen van de menselijke schepselen zou ooit deze plaats en positie bekleden, noch haar evenaren in de glorie, die daarmee verbonden is. Dit was voorbehouden aan de koningin en zou dit, ten rechte, haar bezit zijn na haar aardse leven, waarbij zij alle heiligen voorbijstreefde in volmaaktheid.
  8. Ter vervulling van dit decreet werd de allergezegendste Maria opgeheven naar de troon van de heilige Drie-eenheid, aan de rechterhand van haar Zoon. Tezelfdertijd werd haar en alle heiligen meegedeeld, dat deze troon haar eigendom was, niet slechts voor alle eeuwigheid, maar dat het aan haar keuze werd overgelaten van dat moment af daarop te verwijlen en niet terug te keren naar de aarde. Want het was de voorwaardelijke wil van de goddelijke Personen, dat, voorzover zij daarbij betrokken waren, zij in haar nieuwe status zou blijven verkeren. Teneinde haar keuze geheel vrij te kunnen maken, werd haar de toestand van de Kerk op aarde getoond, de verweesde en nooddruftige toestand van de gelovigen, die het haar vrijstond om te gaan helpen. Deze stap van de heilige Voorzienigheid werd gezet om de moeder van barmhartigheid de gelegenheid te geven, als het ware boven zichzelf uit te gaan door het goede te doen, het menselijk ras aan zich te verplichten, ten dienste te zijn door een liefdedaad te stellen, overeenkomstig die door haar Zoon gesteld, toen Hij de tot lijden geschikte staat aannam en de glorie, die aan zijn lichaam gedurende en voor onze verlossing verschuldigd was, op te schorten. De allergezegendste moeder volgde Hem ook in dit opzicht na, opdat ze in alle dingen gelijk zou worden aan het mensgeworden Woord. De grote vrouwe, die alle offers, die in dit voorstel begrepen waren, duidelijk voor ogen stond, verliet de troon en zich neerwerpend aan de voeten van de drie Personen zei zij:

“Eeuwige en almachtige God, mijn Heer, indien ik nu deze beloning, die uw neerbuigende minzaamheid mij aanbiedt zou accepteren, zou dit mij eeuwige rust geven, maar om terug te keren naar de wereld en voort te gaan in het sterfelijk leven, te zwoegen voor het welzijn van de kinderen van Adam en de getrouwen in uw heilige Kerk, zou de eer en de vreugde van uwe Majesteit vergroten en zou de tijdelijk op aarde verblijvende pelgrims ten goede komen. Ik neem dit zware werk aan en doe voor het moment afstand van de vrede en de vreugde van uw tegenwoordigheid. Ik weet heel goed wat ik bezit en ontvang, maar ik wil dit opofferen om de liefde, die Gij voor de mensen hebt, te bevorderen. Neem dit offer aan, Heer en Meester van geheel mijn leven en laat uw goddelijke kracht mij leiden in de taak, die mij wordt toevertrouwd. Moge het geloof in U om zich heen grijpen, uw heilige naam verheerlijkt worden, uw heilige Kerk vergroot worden, want Gij hebt haar verkregen door het bloed van uw en mijn  Enig-geborene; ik bied mijzelf opnieuw aan om te werken voor uw glorie en voor de verovering van de zielen, voorzover ik daart0e in staat ben”.

  1. Dat was het offer, dat de liefhebbende moeder en koningin bracht, een offer, groter dan ooit door een schepsel werd gebracht. Het verheugde de Heer ten zeerste. Hij beloonde deze daad onmiddellijk door in haar die zuiveringen en verlichtingen te bewerkstelligen, die ik bij vorige gelegenheden reeds beschreef als noodzakelijk voor het intuïtieve schouwen van de Godheid, want tot nu toe had zij die slechts aanschouwd door verstandelijke visie. Op deze wijze verheven, had zij deel aan het zalig schouwen en werd vervuld van schittering en hemelse genaden, volledig boven het begrip van de sterveling en onmogelijk om begrepen te worden in dit aardse leven.
  2. De Allerhoogste vernieuwde in haar alle genaden, die zij tot nu toe ontvangen had, bevestigde en bezegelde deze opnieuw in het decreet, dat hiermee gepaard ging,

-om haar terug te doen keren als moeder en lerares van de Kerk,

-waarbij Hij alle titels, die Hij haar geschonken had, nogmaals bevestigde,

-als koningin van al het geschapene,

-middelaresse en meesteresse van de gelovigen

en juist zoals was de vorm aanneemt van het zegel, zo werd de gezegende Maria door de goddelijke Almacht het evenbeeld van Christus, opdat zij zou terugkeren naar de strijdende Kerk en de ware tuin, de gesloten, gezegelde hof tot bewaring van de wateren van de genade (Hl 4,12) zou zijn.

-o geheimen van de hoogste Majesteit, alle eerbiedwaardig;

-o mysteries, even eerbiedwaardig als verheven;

-o liefde en minzaamheid van de allerheiligste Maria, nimmer begrepen door de onwetende kinderen van Eva!

De keuze door God gemaakt van zijn enige en lieflijke moeder als toevluchtsoord voor zijn getrouwe kinderen was niet zonder mysterie; het was een middel om ons deze moederliefde te tonen, die wij wellicht in haar andere grote daden moeilijk zouden herkennen. Het was geheel in overeenstemming met het goddelijke decreet, dat zij noch zou ontriefd worden van de gelegenheid om zulk een volmaaktheid te bereiken, noch ons de gezegende verplichting om haar na te volgen onthouden zou worden. Aan wie komt het nu nog vreemd voor, in vergelijking met deze overdaad aan liefde, als hij heiligen en martelaren tijdelijke tevredenheid ziet verwerpen om de eeuwige rust te kunnen bereiken, nu onze allerliefhebbendste moeder zichzelf de volledige zaligheid ontzegde om haar kleine kinderen te hulp te snellen?  Hoe zullen we de meest verschrikkelijke verwarring kunnen ontgaan, indien

-noch in dankbaarheid voor deze genaden,

-noch uit navolging van haar voorbeeld,

-noch om deze vrouwe aangenaam te stemmen,

-noch om ons haar gezelschap of dat van haar Zoon te verzekeren,

wij voor wat ons betreft, ons geen enkel bedrieglijk genoegen willen ontzeggen, dat slechts hun vijandschap en onze dood kan brengen?  Gezegend zij deze vrouwe, laat alle hemelen haar prijzen en laten alle geslachten haar zaligprijzen.

  1. Ik beëindigde het eerste deel van deze geschiedenis met het eenendertigste hoofdstuk van de parabels van Salomon, waarin de verheven deugden van deze grote vrouwe, de enige sterke vrouw van de Kerk, beschreven worden en ik grijp terug naar hetzelfde hoofdstuk om dit tweede deel te besluiten. Want de heilige Geest vat alles wat haar betreft samen in de mysterieuze vruchtbaarheid van de woorden in die tekst. Het grote sacrament, waarover ik hier gesproken heb, laat zien hoe de vruchtbaarheid duidelijk uitkomt in de uitzonderlijke verheffing van de allergezegendste Maria, volgend op haar zegening. Maar ik zal niet langer verwijlen bij wat ik daar reeds zei, want veel van wat ik zou kunnen zeggen, kan begrepen worden door het lezen van die paragraaf. Daar zei ik, dat deze koningin de sterke vrouw is wier prijs en waarde gelijk staat met zaken, die van verre gehaald zijn, van de verst verwijderde grenzen van de zevende hemel, indien wij ze afmeten aan de achting haar betoond door de gezegende Drie-eenheid. Het hart van haar man werd niet bedrogen, omdat zij in niets faalde in wat hij van haar verwacht had:

-Zij was het schip van de koopman, die van de hemel de voeding voor zijn Kerk bracht;

-zij was de ene, die plantte door de kracht van haar hand;

-zij die zichzelf omgordde met kracht;

-zij die haar armen tewerkstelde om grote dingen te doen;

-zij, die haar handen uitstrekte naar de armen en haar palm opende voor de nooddruftigen;

-zij die deze transactie beproefde en inzag hoe goed dat was, omdat ze met eigen ogen de beloning van de eeuwige zaligheid voor ogen had;

-zij, die haar dienaressen en dienaren in dubbele kleding gekleed liet gaan;

-het was zij, wier Licht niet uitging in de nacht van de bezoeking en geen vrees voelde voor de zware verleiding.

Voordat ze neerdaalde van de hemelen, smeekte zij, om al deze zaken te kunnen volbrengen, de eeuwige Vader om kracht, de Zoon om zijn wijsheid en de heilige Geest om het vuur van zijn liefde en alle drie goddelijke Personen om hun blijvende hulp en zegeningen. Dit alles werd haar geschonken, terwijl zij plat terneerlag voor de troon en zij vervulden haar daarenboven met nieuwe instortingen van de Godheid. Daarna stemden zij liefderijk toe in haar vertrek, beladen met onuitsprekelijke schatten van genade. De heilige engelen en heiligen verheerlijkten haar in wonderschone lofliederen, toen zij naar de aarde terugkeerde, zoals ik in het derde deel vertellen zal. Daar zal ik ook meedelen, wat zij in de heilige Kerk deed gedurende de tijd van haar verblijf op aarde. Haar activiteiten wekten de bewondering van de hemel op. Zij waren van uitzonderlijk voordeel voor de mensen, want al haar zwoegen en lijden werd ondergaan, om het eeuwig geluk voor haar kinderen te verkrijgen!   Aangezien zij de volmaakte liefde in haar oorsprong, namelijk in de eeuwige God, die Liefde is had leren kennen, werd zij bij voortduring ontvlamd door haar warmte en haar brood bestond bij dag en bij nacht uit liefde. Zij daalde van de triomferende Kerk als een bezige bij af naar de strijdende Kerk, beladen met het stuifmeel van de liefde, om de honing van Gods liefde tot voeding te maken van de kleine kinderen van de primitieve Kerk. Zij leidde hen op tot volwassenheid, zo robuust en volmaakt, dat ze een basis zouden zijn die overvloedige sterkte zou bezitten om het hoge gebouw van de heilige Kerk te kunnen dragen.

  1. Ter beëindiging van dit hoofdstuk en daarmee het tweede deel van deze geschiedenis keer ik nu terug naar de bijeenkomst van de getrouwen die wij zo bedroefd op de Olijfberg achterlieten. De allerheiligste Maria vergat hen, temidden van haar glorie, niet. Toen ze wenend en als het ware stom van smart in de hoogte staarden waarin hun Verlosser en Meester verdwenen was, liet zij haar ogen op hen rusten vanaf de wolk, waarmee zij opgestegen was om hen toch maar haar steun te geven. Bewogen door hun smart smeekte zij Jezus om deze kleine kinderen te troosten, die Hij als wezen op deze aarde had achtergelaten. Bewogen door de gebeden van zijn moeder zond de Verlosser van het menselijk geslacht twee engelen in witte, schitterende gewaden naar de aarde, die aan alle leerlingen en gelovigen verschenen en tot hen zeiden:

“Gij mannen van Galilea, sta niet verwonderd naar de hemel te kijken, want deze Heer Jezus, die van u wegging en opsteeg ten hemel, zal met dezelfde glorie en majesteit terugkeren, waarin gij Hem zojuist gezien hebt,”. Door deze woorden en meerdere anderen, die zij daaraan toevoegden, troostten zij de apostelen, de leerlingen en de rest, opdat ze zich niet meer zwak zouden voelen maar in hun toestand zouden vertrouwen op de komst en de vertroosting van de heilige Geest, die hen door hun goddelijke Meester beloofd was.

  1. Maar ik moet hierbij vermelden dat deze woorden van de engelen, ofschoon zij deze mannen en vrouwen vertroostten, toch tegelijk een verwijt inhielden over hun gebrek aan geloof. Want indien hun geloof goed gefundeerd was en doordrongen was van zuivere liefde, zou het niet noodzakelijk geweest zijn daar te blijven staan met hun blikken gericht op de hemel, want ze konden hun Meester niet weerhouden door uiterlijke demonstratie van hun liefde, die zij toonden door in de lucht te staren naar de plaats waar ze Hem hadden zien vertrekken. Zij zouden hun geloof hebben moeten verlevendigen en naar Hem moeten hebben uitgezien en Hem hebben moeten zoeken waar Hij werkelijk was en waar ze Hem zeker zouden ontmoet hebben. Hun manier om Hem te vinden was nutteloos en onvolmaakt, want om de aanwezigheid en hulp van zijn genade te verkrijgen was het niet nodig, dat zij Hem zouden zien en met Hem zouden spreken. Dat zij deze waarheid niet begrepen hadden, was een laakbaar gebrek in mensen, die zo verlicht en zo volmaakt hadden moeten zijn. Gedurende lange tijd hadden de apostelen de school van Christus, onze God, gevolgd; zij hadden de leer van de volmaaktheid uit de oorsprong zien opwellen, uit een Bron zo zuiver en volmaakt, dat ze ver gevorderd zouden moeten zijn in spiritualiteit en in de hoogste volmaaktheid. Maar dit is het ongeluk van onze natuur, dat, wegens haar afhankelijkheid van de zinnen en haar voldoening in de functionering van de lagere vermogens, zij ervan houdt zelfs de allergoddelijkste geestelijke zegeningen te ondergaan door de zinnen. Aangezien zij gewend is aan deze ruwheid, is zij zeer traag in de uitzuivering van deze lagere elementen en is bij tijden geheel verward, zelfs wanneer het ferm en ijverig de hoogste doeleinden nastreeft. Deze waarheid werd ons in de apostelen ten voorbeeld gesteld. Zij waren onderwezen door de Heer, dat Hij het Licht en de Waarheid en tezelfdertijd de Weg was (Joh 14,6) en dat zij tot de kennis van de eeuwige Vader konden komen door Hem, de enig ware Weg, want licht schijnt niet voor het licht zelf en een weg is niet gemaakt met het doel om daarop te rusten.
  2. Deze leerstelling, zo meermalen herhaald in de evangeliën gehoord van de lippen van zijn Schepper en bevestigd door het voorbeeld van zijn leven, zou de harten en het begrip van de apostelen tot het in praktijk daarvan gebracht kunnen hebben. Maar het genoegen, dat hun geest en hun zinnen ondervonden in de gesprekken en de omgang met hun Meester, de zekerheid van hun liefde en de verzekering van de wederliefde van hun Meester, hield de krachten van hun wil gebonden aan hun zinnen, zodat ze niet wisten hoe ze zich moesten losmaken als hun lagere vermogens beslag op hen legden en zich zelfs niet bewust waren hoeveel zelfzucht er was in hun godsvrucht en hoeveel zij meegesleept werden door geestelijk genot, dat van de zinnen afkomstig was. Indien hun goddelijke Meester hen niet verlaten had door naar de hemel op te stijgen, zouden ze zich niet van Hem hebben kunnen losmaken zonder grote bitterheid en smart! Zij zouden dan niet in staat geweest zijn het evangelie te prediken, want dit moest in de wereld gepredikt worden ten koste van veel zwoegen en moeilijkheden, ja, zelfs met gevaar voor het leven. Dit kon niet het werk zijn van kleingeestige mannen, maar van moedige mannen, sterk in hun liefde; mannen die niet gehinderd en verwekelijkt werden door de zinnelijke genoegens die de geest aankleven, maar gereed om door overvloed en armoede te gaan, beschimpingen of roem te oogsten, geëerd en bespot te worden, smarten en vreugde te beleven en daaronder heel hun liefde en ijver voor de Heer te bewaren met een grootmoedig hart, dat boven voorspoed en tegenspoed zou staan (2Kor 6,8) Nadat ze berispt waren door de engelen, verlieten ze de Olijfberg en keerden ze met de allerheiligste Maria naar het cenakel terug, waar ze in afwachting van de komst van de heilige Geest -zoals we in het laatste deel zullen zien- volhardden in gebed.

Instructie, mij door de allerheiligste Maria, de koningin van de hemel, gegeven.

  1. “Mijn dochter, gij dient dit tweede deel van mijn leven op passende wijze te besluiten door u de les te herinneren betreffende de zeer probate liefelijkheid van de goddelijke liefde en de overgrote vrijgevigheid van God tegenover de zielen, die het voortvloeien daarvan niet verhinderen. Het is meer in overeenstemming met de neigingen van zijn heilige wil, de schepselen te helpen dan hen smart te veroorzaken; hen te belonen in plaats van hen te straffen; hen te verblijden en niet hen te bedroeven. Maar de stervelingen zijn onkundig van deze goddelijke wijsheid, omdat ze uit de handen van de Allerhoogste vertroostingen, genoegens en beloningen wensen te ontvangen die aardgebonden en gevaarlijk zijn en die zij hoger achten dan meer zekere weldaden. De goddelijke liefde corrigeert deze fout door de lessen, die vervat zijn in beproevingen en bestraffingen. De menselijke natuur is langzaam, ruw en ongevormd en indien zij niet gecultiveerd en verzacht wordt, zal zij in het juiste seizoen geen vrucht dragen. Wegens haar slechte neigingen zal zij uit zichzelf nooit geschikt worden voor de liefhebbende omgang en de minzame gesprekken met het hoogste Goed! Daarom moet zij gevormd en klein gemaakt worden door de hamer van de moeilijkheden, verfijnd in de smeltkroes van de beproevingen, opdat zij geschikt en bekwaam zal zijn de goddelijke genaden en gunsten te ontvangen en zal leren om aardse en bedrieglijke goederen te verachten, omdat de dood daaronder verborgen is.
  2. Ik rekende alles wat ik meemaakte als niets, toen ik de beloning had gezien, die de goddelijke goedheid voor mij bereid had en daarom besliste Hij in zijn bewonderenswaardige Voorzienigheid, dat ik tot de strijdende Kerk, uit eigen vrije wil en keuze, zou terugkeren. Dit, dat begreep ik, zou bijdragen tot mijn grotere glorie en tot verheffing van zijn heilige Naam, terwijl het hulp zou verlenen aan zijn Kerk en aan zijn kinderen op een bewonderenswaardige en heilige wijze. Het scheen mij een heilige plicht toe, dat ik mijzelf van het eeuwig geluk ontriefde, dat ik op dat moment reeds genoot en terug zou keren naar de aarde om nieuwe werkvruchten en liefde voor de Almachtige te verdienen. Dit alles dankte ik aan de goddelijke Goedheid, die mij uit het stof had opgericht. Leer daarom, mijn geliefde, van mijn voorbeeld en span uzelf in om mij in deze tijden, waarin de heilige Kerk zo troosteloos en overweldigd met beproevingen is en waarin er geen van haar kinderen is die haar vertroost, na te volgen. Voor dit doel is het mijn wens, dat gij u extra inspant, bereid bent om te lijden in gebed en smeking en roepend tot de Almachtige vanuit de grond van uw hart. En indien dit noodzakelijk zou zijn, zoudt gij uw leven moeten offeren. Ik verzeker u, mijn dochter, dat uw kommer en angsten aangenaam zullen zijn in de ogen van mijn goddelijke Zoon en in die van mij!
  3. Laat dit alles geschieden voor de glorie en eer van de Allerhoogste, de Koning van de eeuwen, de Onsterfelijke en Onzichtbare en voor die van zijn moeder, de allergezegendste Maria, door alle eeuwen der eeuwen”!

 

Jezus verrijst uit de doden

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”; visioenen aan Maria van Agreda, deel 6 blz. 216/220. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2013/09/18/de-verrijzenis-van-christus-en-zijn-eerste-verschijning-aan-zijn-h-moeder-maria-is-waar-gebeurd/

Jezus verrijst uit de dodenDe verrijzenis van Christus, onze Heiland en zijn verschijning aan zijn allergezegendste Moeder in gezelschap van de heilige aartsvaders uit het voorgeborchte.

  1. De goddelijke ziel van Christus, onze Verlosser, verbleef in het voorgeborchte van half vier vrijdagmiddag tot na drie uur in de morgen van de daaropvolgende zondag. Rond dit uur keerde Hij terug naar de grafkelder als de overwinnende Prins van de engelen en van de heiligen, die Hij verlost had uit de diepliggende gevangenissen als buit van zijn overwinning en als onderpand van zijn glorievolle triomf over de gekastijde en neergeslagen oproerlingen van de hel. In de grafkelder fungeerde vele engelen als wacht, allen in aanbidding voor het heilige lichaam, vereerd met de Godheid. Enige van hen hadden, gehoorzaam aan het bevel van hun koningin en meesteres, de relikwieën van het heilig bloed, de stukken afgerukt vlees, haar dat uitgerukt was uit het goddelijk gelaat en hoofd en al het andere dat tot de volmaaktheid en volkomenheid van zijn allerheiligste mensheid behoorde, verzameld. De moeder van de voorzichtigheid omringde deze relikwieën met haar zorgzame liefde. De engelen betrokken de wacht bij deze relikwieën, elk hunner vervuld van vreugde over de taak, die hen was opgedragen. Voordat er enige verandering in was aangebracht, werd het Lichaam van de Verlosser aan de heilige vaders getoond in dezelfde staat, gewond, verminkt en mishandeld, zoals het achtergelaten was, nadat de Joden hun wreedheden hadden bedreven. Terwijl zij Hem in deze staat aanschouwden, aanbaden de patriarchen, profeten en andere heiligen Hem en beleden zij Hem als het mensgeworden Woord, dat waarlijk al onze gebreken en smarten op zich genomen had en onze schulden overvloedig betaald had, voldoening schenkend in zijn onschuld en reinheid voor alles wat wij verschuldigd waren aan de rechtvaardigheid van de eeuwige vader. Daar zagen onze eerste ouders, Adam en Eva, de ruïne die zij hadden veroorzaakt door hun ongehoorzaamheid, der onschatbare uitdelging, die deze had veroorzaakt en de onmenselijke goedheid en barmhartigheid van de Verlosser. Aangezien zij het effect van zijn glorievolle verlossing door het Licht in hun zielen voelden, prezen zij opnieuw de Heilige der heiligen, die met wonderbaarlijke wijsheid deze redding had gewrocht.
  2. Daarna werden, in aanwezigheid van de heiligen, door de engelen alle relikwieën, die zij hadden verzameld, verenigd met het heilige lichaam, waardoor het zijn natuurlijke vervolmaking en gaafheid terugkreeg. Op hetzelfde moment verenigde de allerheiligste Ziel zich met het Lichaam, waardoor het onsterfelijke leven en zijn glorie terugkeerde. In plaats van de wikkels en de kruiden waarin het begraven was, werd het gekleed in de vier gloriegaven, namelijk: met helderheid, onvatbaarheid voor lijden, vrije beweeglijkheid en subtiliteit (Joh. 19,40). Deze gaven vloeiden van de onmetelijke glorie van de Ziel van Christus in het heilige Lichaam. Ofschoon deze gaven aan het Lichaam toebehoorden vanaf het ogenblik van zijn ontvangenis als natuurlijke erfenis en deelgenootschap aan de Godheid, waren ze toch opgeschort wat betreft hun uitwerking op het allerzuiverste lichaam om het in staat te stellen te lijden en onze glorie voor ons te kunnen verdienen. In de verrijzenis werden deze gaven terecht weer tot leven gewekt, zodat ze wederom overeenkwamen met de vereniging met de Godheid. Aangezien de glorie van de allerheiligste Ziel van Christus, onze Heiland, niet door mensen begrepen kan worden, is het evenzeer onmogelijk in onze woorden en voorbeelden, de glorierijke gaven van zijn vergoddelijkte Lichaam te beschrijven, want in vergelijking met zijn zuiverheid, is kristal ondoorzichtig. Het Licht dat met dit Lichaam samengaat en uit het Lichaam straalt, is zo verschillend van andere objecten als dag en nacht of als vele zonnen die één ster overtreffen en alle schoonheid van de schepselen tezamen genomen zouden afzichtelijk schijnen in vergelijking met zijn schoonheid, want in de gehele schepping is niets daarmee te vergelijken.
  3. De uitstraling van deze gaven, in de verrijzenis tentoongespreid, overtrof verre de glorie van de transfiguratie of enige andere manifestatie in deze geschiedenis verteld. Want bij deze gelegenheden ontving Hij deze gaven slechts kortstondig, terwijl Hij ze nu in volheid en voor altijd ontving. Door de onmogelijkheid om te kunnen lijden werd zijn Lichaam onoverwinnelijk voor alle geschapen macht, want, macht is in staat Hem te bewegen of te veranderen. Door de subtiliteit werd de grove aardse materie zo gezuiverd, dat het in staat is andere materie te doorbreken als een zuivere geest. Daardoor kon Hij door de rotsen van het grafgewelf heen gaan zonder ze te bewegen of te verplaatsen, juist zo als Hij in de wereld kwam uit de schoot van zijn gezegende moeder. De vrije beweeglijkheid bevrijdde Hem van het gewicht en de traagheid van de materie, zodat ze de beweeglijkheid van de onstoffelijke engelen overtrof, terwijl Hijzelf sneller kon bewegen dan zij, zoals onder meer bleek bij zijn verschijning aan de apostelen. De heilige wonden, die zijn Lichaam verminkt hadden, straalden nu een schitterend en tintelend Licht uit, waardoor schoonheid en bekoring zeer verhoogd werden. In geheel deze glorie en hemelse schittering rees de Heiland nu uit zijn graf. In de aanwezigheid van de heiligen en de aartsvaders beloofde Hij universele verrijzenis in eigen lichaam van alle mensen en dat zij daarenboven als effect van zijn eigen verrijzenis op gelijke wijze verheerlijkt zouden worden. Als onderpand en belofte voor universele opstanding bevel de Heer de zielen van vele heiligen die daar aanwezig waren, zich te verenigen met hun lichamen en op te staan tot het eeuwig leven. Dit goddelijke bevel werd onmiddellijk uitgevoerd en hun lichamen verrezen zoals wordt verteld door de heilige Matteüs, vooruitlopend op dit mysterie (Mt. 27,52). Onder hen waren de heilige Anna, de heilige Jozef en de heilige Joachim en meerderen van de oude vaders en patriarchen, die zich onderscheiden hadden in het geloof en in de hoop op de menswording en daarvoor met groot aandringen gebeden hadden tot de Heer. Als gunst voor hun ijver werden hun lichamen reeds nu tot volledige glorie gebracht.
  4. O, hoe machtig en wonderschoon, hoe onoverwinnelijk en sterk was de aanblik, zelf nu reeds, van de Leeuw van Juda, de Zoon van David. Geen werd zo snel klaarwakker uit de slaap als Christus uit de dood. Op zijn gebiedende stem hechtten zich de droge en verspreid liggende beenderen van reeds lang overledenen aaneen en het vlees, dat lang geleden tot stof was vergaan, werd verenigd met de beenderen; zij vernieuwden het vorige leven en versierd met genadegaven, verenigde de levenbrengende ziel zich met het verrezen lichaam. In een ogenblik verzamelden zich al deze heiligen rond hun Heiland. Zij waren schitterender dan de zon, zuiver, doorschijnend, vol schoonheid en levendig, geheel geschikt om Hem overal te volgen en door hun gelukzalige staat bevestigden zij de profetie van Job: in eigen vlees en met eigen ogen -niet met die van anderen- zullen wij de Verlosser ter onzer vertroosting zien (Job 19,26). De grote koningin deze hemels zag vanuit het cenakel al deze grote mysteries geschieden en zij nam daaraan deel. Op hetzelfde, ogenblik waarin de allerheiligste Ziel van Christus zich verenigde met zijn Lichaam, keerde de vreugde in haar onbesmette ziel terug en vloeide door haar allerheiligst lichaam. En deze toevloeiing was zo voortreffelijk in zijn uitwerking, dat zij van smart tot vreugde, van lijden tot verrukking, droefenis tot onuitsprekelijke jubel en zalige rust werd. Op dit moment trad de evangelist Johannes bij haar binnen zoals hij ook op de voorafgaande ochtend gedaan had. Hij had het plan haar te troosten in haar bittere eenzaamheid. Daar zag hij haar in glans van pracht en glorie, die hij tevoren nauwelijks gekend had, wegens haar overweldigende smart. De apostel aanschouwde haar nu met verwondering en onder de diepste eerbied. Hij begreep, dat de Heer verrezen was, nu zijn moeder geheel herschapen was in vreugde.
  5. In deze nieuwe vreugde en onder goddelijke invloed van haar bovennatuurlijke visie begon de grote vrouwe zichzelf gereed te maken voor het bezoek van de Heer, dat zeer binnenkort zou geschieden. Terwijl zij zich overgaf aan lofprijzingen, gezangen en gebeden, voelde zij in zich een nieuwe jubel en hemelse vreugde omhoog stijgen, die ver verheven waren boven haar eerste vreugde en op wonderbaarlijke wijze overeenkwamen met de smarten en bezoekingen, die zij in het lijden en bij de dood van haar Zoon ondergaan had. Deze nieuwe Godsgave was verschillend en meer verheven dan de vreugden, die op natuurlijke wijze vanuit haar ziel naar haar lichaam vloeiden. Daarenboven nam zij in zichzelf een derde heel verschillend effect waar, voortvloeiend uit de goddelijke genade. Zij voelde nl. het hemelse Licht, dat de komst van het gelukzalig schouwen aankondigde, in haar binnendringen. Ik zal dit hier niet verder uitleggen, omdat ik daarover reeds in het 2e boek par. 620  uitgeweid heb. Ik voeg hier slechts aan toe, dat de koningin bij deze gelegenheid deze goddelijke invloed in grotere graad ontving want nu was de Passie van Christus reeds geschied en zij had de verdiensten van het lijden verkregen. Zo kwamen de vertroostingen uit de hand van haar goddelijke Zoon overeen met de grootte en de soort van haar smart.
  6. Toen de gezegende Maria geheel gereed was, verscheen haar Christus onze Heiland, in gezelschap van de heiligen en aartsvaders. De steeds nederige koningin viel voor Hem ter aarde en aanbad haar goddelijke Zoon. De Heer richtte haar op en trok haar naar zich toe. In dit contact, dat meer intiem was dan het contact met de mensheid en de wonden, gezocht door Magdalena, werd de maagdelijke moeder deelgenoot van een bijzondere genade, die slechts zij, als onbevlekte, kon ontvangen. Ofschoon dit niet de grootste van alle genaden was, die zij bij deze gelegenheid ontving, zou zij daar toch niet tegen bestand geweest zijn, indien zij niet tevoren door de engelen en de Heer zelf gesterkt was. Deze genade bestond uit het innig verenigen van het glorierijke Lichaam van de Zoon met dat van zijn allerzuiverste moeder, te vergelijken met het opnemen van het licht van de zon door een kristallen bol, waardoor deze geheel vervuld wordt van glans en schittering. Door deze hemelse omhelzing verenigde zich het lichaam van de allerheiligste Maria met dat van haar Zoon; het was, als het ware, de opgang naar haar intieme kennis van de allerheiligste Ziel en het Lichaam van de Heer. Als gevolg van deze genaden, die samengesteld waren uit steeds hogere en onuitsprekelijke gaven, steeg de geest van Maria op naar de kennis van de meest verborgen sacramenten. Terwijl zij deze genaden ontving, hoorde zij een stem die haar zei: “Mijn geliefde, stijg hoger op”! (Lc. 14,10). Door de kracht van deze woorden zag zij de Godheid duidelijk en intuïtief, waarin zij volledige doch tijdelijke rust en beloning vond voor al haar smarten en pijnen. Alleen stilzwijgen is hier op zijn plaats, aangezien het verstand en de taal volkomen tekort schieten om alles wat door de gezegende Maria heen ging gedurende dit zalige visioen te beschrijven. Het was het hoogste visioen dat zij tot dan had. Laat ons deze dag vieren in verwondering en lof, onder gelukwensen en liefdevolle, nederige dank voor alles wat zij voor ons verdiend heeft en voor haar verheffingen en vreugde.
  7. Gedurende enige uren genoot de hemelse prinses het Wezen van God, tezamen met haar goddelijke Zoon, deelhebbend aan zijn triomf, zoals zij deelgenoot was geweest van zijn kwellingen. Daarna daalde zij geleidelijk af van dit visioen tot zij zich bij het einde, steunend op de rechterarm van de allerheiligste mensheid terugvond en vertroost werd door de rechterhand van de Godheid (Hl 2,6). Zij onderhield zich op liefdevolle wijze met haar Zoon over zijn lijden en zijn glorie. Onder deze gesprekken werd zij gesterkt met de wijn van naastenliefde en liefde, die zij in overvloed dronk uit de oorspronkelijke Bron. Alles wat een gewoon schepsel maar ontvangen kon, werd bij deze gelegenheid aan de gezegende Maria toebedeeld. Want de goddelijke rechtvaardigheid achtte het haar plicht een schepsel van zo grote zuiverheid schadeloos te stellen (zo zal ik dit maar noemen omdat ik geen beter woord kan vinden) voor al het lijden en alle kwellingen, ondergaan gedurende het lijden en de dood van onze Heiland. Want, zoals ik reeds menigmaal gezegd heb, zij leed dezelfde kwellingen als haar Zoon en werd nu gedurende dit mysterie overspoeld met een daarmee gelijk te stellen hoeveelheid vreugde en verheerlijking.\762. Daarna, nog steeds in haar verheven staat, keerde de grote vrouwe zich tot de heilige patriarchen en alle rechtvaardigen, herkende hen en sprak tot ieder van hen, waarbij zij de Almachtige lof toezwaaide voor zijn vrijgevige barmhartigheid, aan hen betoond. Zij werd met een speciale vreugde vervuld onder het spreken met haar ouders, de heilige Joachim en Anna, met haar bruidegom de heilige Jozef en met Johannes de Doper en met hen trad zij in meer bijzonderheden dan met de aartsvaders, de profeten, Adam en Eva. Zij allen vielen voor de hemelse vrouwe neer, erkenden haar als de moeder van de Verlosser van de wereld, als de medeoorzaak van hun bevrijding en de medehelpster van hun verlossing. De goddelijke Wijsheid dwong hen haar op deze wijze te vereren. Maar de koningin van alle deugden en de meesteresse van de nederigheid wierp zich op de grond en vereerde de heiligen overeenkomstig hun goede werken. Dit liet de Heer toe, omdat de heiligen weliswaar minder genade bezaten, maar in hun zalige staat begiftigd waren met onvergankelijke en eeuwige glorie, terwijl de moeder van genade nog in het sterfelijke leven stond en pelgrim was en nog niet in de staat van de vervulling bereikt had De aanwezigheid van Christus duurde voort gedurende het gehele gesprek van Maria met de vaders. De allergezegendste Maria nodigde alle engelen en heiligen die daar aanwezig waren uit om de Overwinnaar van dood, zonde en hel te aanbidden. Daarop zongen allen nieuwe gezangen, psalmen en hymnen van glorie en pracht, totdat het uur aanbrak, waarop de verrezen Heiland op andere plaatsen zou verschijnen, zoals ik in het volgende hoofdstuk zal meedelen.

Instructie die de grote vrouwe, de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, verheug u over uw bezorgdheid inzake uw onmacht in woorden te verklaren wat uw inwendige vermogens waarnemen aan verheven mysteries, die gij wel alle neerschrijft. Het bekennen van onmacht tegenover zulke verheven sacramenten als degenen die gij hebt neergeschreven, dient als een overwinning voor de schepselen en als een afstraling van de glorie van God gezien te worden. Ik voelde de kwellingen, die mijn Zoon onderging en ofschoon ik mijn leven niet verloor, onderging ik toch de geheimenisvolle doodstrijd, daarom onderging ik in mijn wezen ook deze wonderbaarlijke en mystieke verheffing tot een allerverhevenste staat van genade en lichtheid. Het wezen van God is oneindig en ofschoon een schepsel dit voor een groot deel kan begrijpen, blijft er toch veel over om lief te hebben en te genieten, waar hij nimmer aan toekomt. Opdat gij, geholpen door uw begrip, iets van de glorie van Christus, mijn Zoon, van mij en die van de heiligen zult kunnen begrijpen, zal ik u enige regels geven, waardoor u de gaven van de verheerlijkte ziel zult kunnen afleiden uit de gaven, die het verheerlijkte lichaam tentoonspreidt. Gij weet reeds, dat de gaven van de ziel bestaan uit het schouwen, het begrip en de vervulling, terwijl die van het lichaam reeds door u genoemd zijn, met name helderheid, onvatbaarheid voor lijden, vrije beweeglijkheid en subtiliteit.
  2. Elk van deze genadegaven wordt overeenkomstig de daden die iemand stelt, -in staat van genade- ook al is dit slechts een kleine daad zoals het wegnemen van een stro of het geven van een dronk water ter liefde Gods, vergroot. Voor elk van de meest onbetekenende werken verkrijgt het schepsel toename van de genaden; een toename aan helderheid, die het zonlicht vele malen overtreft, waaraan dan nog een zekere staat van gezegendheid is toegevoegd. Een toename van de onmogelijkheid tot lijden, waardoor de mens verder van menselijke en aardse corruptie af komt te staan dan welke geschapen kracht ooit zou kunnen bewerkstelligen bij het weerstaan van ziekte en veranderlijkheid; een toename aan subtiliteit, waardoor hij verder doordringt in alles wat maar tegenstand biedt en die hem nieuwe kracht tot doordringing geeft; een toename aan beweeglijkheid, die elke activiteit van vogels, winden en alle andere beweeglijke schepselen verre overtreft, zoals bv.  vuur en de elementen die daardoor aangetrokken worden. Uit deze toename van de gaven van het lichaam, verdiend door goede werken, zult gij de toename van de genadegaven van de ziel kunnen afleiden, want de gaven van het lichaam zijn afgeleid van de gaven van de ziel en komen daarmee overeen. In het zalig schouwen verwerft elke verdienste grotere helderheid en meer inzicht in de goddelijke eigenschappen en volmaaktheden dan die verworven zijn door alle doctoren en verlichte leden van de Kerk. Evenzo wordt het begripsvermogen en het bevattingsvermogen van het goddelijke Voorwerp vermeerderd, want de zekerheid van het bezit van het hoogste en oneindige Goed maakt de bezonkenheid en de rust van het genieten meer begerenswaard dan indien de ziel alles zou bezitten op het gebied van rijkdom, alles zou omvatten wat gewenst en verlangd wordt in de gehele schepping, zelfs indien dit alles in één moment zou bezeten worden. Vervulling, de derde gave van de ziel, gegeven vanwege de liefde waarmee het schepsel ook de kleinste daad stelt, verheft de graden van liefde dusdanig, dat de grootste liefde, die de mens op aarde op kan brengen, daarbij in het niet valt. Ook kan de vreugde, die daarvan het gevolg is, nimmer vergeleken worden met de vreugden van dit sterfelijk leven.
  3. Verhef daarom uw gedachten, mijn dochter en leid uit deze wonderschone gaven, die door God voor onze kleine daden gegeven worden, af, wat de heiligen dan wel zullen verwerven, die door heldhaftige daden en uitzonderlijke werken, door grote kwellingen en martelaarschap bekend zijn geworden in de Kerk van Christus. En als dergelijke dingen in gewone mensen kunnen geschieden, denk dan eens hoe groot de verheerlijking van mijn goddelijke Zoon was, in Hem die geen fouten en gebreken kende. Dan zult u ook inzien hoe begrensd het menselijk vermogen is, speciaal in het sterfelijk leven, om dit mysterie waardig te begrijpen en zulke grootheid naar waarde te schatten. De allerheiligste Ziel van mijn Heer was verbonden met de Godheid en wegens de hypostatische vereniging deelde de oceaan van zijn Godheid zich natuurnoodzakelijk mee aan zijn goddelijke en menselijke persoonlijkheid waardoor deze verheerlijkt werd alsof ze op een onuitsprekelijke wijze deel ging uitmaken met het Wezen van God zelf. Ofschoon zijn glorie niet gebaseerd was op verdiensten maar voortkwam uit de hypostatische vereniging vanaf het eerste moment van zijn ontvangenis in mijn schoot, toch vroegen zijn werken:

-de dertig jaren van zijn leven;

-zijn geboorte in armoede;

-zijn leven als werkman;

-zijn liefhebben als een pelgrim;

-de beoefening van alle deugden;

-de verlossing van het menselijk geslacht, de vestiging van de Kerk en de leerstellingen van het geloof,\dat de glorie van zijn Lichaam werd aangepast aan die van zijn Ziel. En daarom is zijn grootheid onuitsprekelijk en onmetelijk, slechts te openbaren in het eeuwig leven. In aansluiting op de schitterende verheffing van mijn goddelijke Zoon wekt de rechterhand van de Almachtige ook gevoelens op, die een gewoon schepsel dragen kan en daarin vergat ik alle bezoekingen en smarten van het lijden. De vaders uit het voorgeborchte en de andere heiligen ondervonden hetzelfde, toen zij hun beloning ontvingen. Ik vergat de bitterheid en het lijden dat ik geleden had, want de grote vreugde dreef de pijnen uit, ofschoon is nimmer vergat wat mijn Zoon voor het menselijk geslacht geleden had”.