De verrijzenis van Jezus is een mysterie dat ons verstand overstijgt

Standaard

Nieuwsbrief XVIII.16, pater Daniel, vrijdag 21 april 2023

Goede Vrienden,

De verrijzenis van Jezus is een mysterie dat ons verstand overstijgt. Niemand heeft deze verrijzenis gezien of kunnen vaststellen.   Het is zoals met de schepping, met het ontstaan van het heelal. Ze overstijgen ons menselijk kennen. Niemand was erbij. Het is naïef te denken dat een wetenschapper ooit op een dag een formule zal geven waarmee hij het ontstaan van het heelal helemaal kan verklaren. Daarom is de schepping niet minder werkelijk. Wij leven iedere dag van deze schepping. Het zou dwaas zijn te zeggen: zolang ik niet weet hoe de natuur om mij heen precies ontstaan is, wil ik er niet van genieten.  Wij leven er iedere dag van. Op gelijkaardige wijze is Jezus’ verrijzenis werkelijk. De wereld, de Kerk en de gelovigen leven van Jezus’ verrijzenis.

Om de werkelijkheid van Jezus’ verrijzenis te aanvaarden hadden de apostelen twee ervaringen: enerzijds de vaststelling van het lege graf en anderzijds de levendige ontmoetingen met de Verrezen Heer. Zij stonden aanvankelijk perplex en herkenden de Verrezen Heer slechts nadat Jezus zelf hen had gesproken en overtuigd. Jezus maakt hen duidelijk dat Hij dezelfde Persoon is en niet slechts een Geest maar ook een Lichaam heeft, zij het een Verrezen Lichaam dat niet meer gebonden is aan tijd en ruimte. Hij toont hen zijn doorboorde handen en zijde. Deze eerste getuigen van Jezus’ verschijning worden aanvankelijk door de anderen niet aanvaard. Thomas verwerpt zelfs categoriek het eensluidend getuigenis van de andere apostelen. De Evangelies getuigen evenwel op onweerlegbare wijze van de echtheid van deze twee ervaringen, ondanks het feit dat de apostelen en de eerste christenen zelf hieraan eerst sterk twijfelden. Dit bewijst dat het geenszins een eigen uitvinding of vooropgezet plan was. Zijzelf konden slechts geleidelijk de overweldigende werkelijkheid aanvaarden. Stap voor stap ontdekten zij dat alles voorspeld was in de Schrift door de profeten en herhaaldelijk door Jezus zelf. Er is achteraf ook geen enkele aanduiding te vinden van enig bewijs dat het graf door de apostelen zou leeggemaakt zijn of dat de verschijningen door hen zouden zijn uitgevonden. De enige uitleg die recht doet aan de werkelijkheid is dat alles precies geschied is zoals Jezus het heel zijn openbaar leven heeft gezegd: Hij, de beloofde Messias van Israël, de Zoon van God, zou gruwelijk lijden en ter dood gebracht worden maar na drie dagen verrijzen en aan zijn apostelen zijn heilige Geest schenken om aan alle mensen vrijmoedig te verkondigen dat Hij, de Verrezen Heer de Redder is van alle mensen. Zo is het ook gebeurd. De apostelen trokken de wereld in en verkondigden precies wat de profeten al hadden gezegd, wat Johannes de Doper verkondigde en waartoe Jezus onophoudelijk had opgeroepen: de tijd is vervuld, het Rijk Gods is nabij, bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap. Ieder die nu gelooft in Jezus en zijn Evangelie onderhoudt, zal gered worden, de kracht van zijn heilige Geest ontvangen en uiteindelijk doorheen het lijden en sterven in dit aardse leven, delen in zijn verrijzenis.

De apostelen zelf zijn hiervan de eerste voorbeelden. Het geloof dat Jezus Christus, gestorven en verrezen is en de Redder is van alle mensen, werd op enkele decennia tijd verspreid over heel de wereld. De eerste geloofsbelijdenis luidt: “Jezus is Heer”. Hadden de apostelen misschien een uitzonderlijk organisatietalent? Beschikten ze over een enorm budget voor een wereldwijde media reclame? Neen, het waren ongeletterde, arme vissers uit Galilea, die zelf aanvankelijk niet eens in staat waren te geloven. Nogmaals, de verspreiding van het geloof kun je enkel verklaren wanneer je het Evangelie aanvaardt zoals het ons is overgeleverd. Jezus beloofde zijn bange, ongelovige apostelen de kracht van zijn Geest die alle vrees zou overwinnen. Het Pinksteren over de apostelen heeft hen grondig en definitief veranderd.

Een kernbegrip, dat de houding van de apostelen weergeeft, is het Griekse woord parresia (vertrouwen, vrijmoedig spreken). Het komt 26 maal voor in het Nieuwe Testament (als ik goed geteld heb). En het betreffende werkwoord parresiadzesthai (vertrouwvol handelen) komt 7 maal voor. Eeuwen voorheen werd het woord parresia in de zogenaamde democratie van Athene gebruikt om aan te duiden dat een burger in de volksvergadering vrij het woord mocht nemen. De eerste christenen   hebben dit woord overgenomen maar het kreeg vanuit Jezus’ verrijzenis een geheel nieuwe betekenis. In onze tijd zijn er filosofen die rond dit begrip complexe en veelzijdige betekenissen hebben uitgewerkt. We laten dit alles terzijde. Met de apostel Petrus en de anderen wordt “parresia” een geloofshouding en levens inzet. Wanneer Jezus gevangengenomen wordt is Petrus bang en benieuwd hoe het afloopt. Zopas had hij aan Jezus luidt verkondigd dat hij zijn leven voor Hem zou geven. Nu heeft hij alle moed verloren. Wanneer hij zich warmt aan het vuur en omstaanders hem herkennen als een volgeling van Jezus, begint hij te tieren en te loochenen. Hij wordt één met de groep rond het vuur, een met de massa die Jezus veroordeelde.  Na de verrijzenis treffen we een totaal veranderde Petrus aan, “vervuld van de Geest”. In plaats van zich bang af te sluiten uit vrees voor de joodse overheid gaat hij er zelf naartoe en spreekt met parresia. Nu zijn het de hogepriester en Schriftgeleerden die totaal verbouwereerd zijn en niet weten hoe ze moeten reageren: “Bemerkend dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden zij verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen. Zij herkenden hen als gezellen van Jezus” (Handelingen 4, 13). De religieuze overheden dreigen en verbieden de apostelen nog verder over Jezus te spreken. Dit heeft geen enkel effect. De apostelen antwoorden dat het voor hen onmogelijk is “niet te spreken over hetgeen we gezien en gehoord hebben” (Handelingen 4, 20). Zo verging het alle leerlingen. Uiteindelijk zullen ze daarvoor ook met vreugde de marteldood willen ondergaan om met Jezus te sterven en te verrijzen. Zij tonen dat het heil niet komt van deze wereld maar van Jezus, gestorven en verrezen.

Het vrijmoedig getuigen van Jezus’ verrijzenis wordt het hart van het leven van de ware christenen. Ook nu zijn er “apostelen” uit alle christelijke kerken, alsook bekeerde moslims die dezelfde boodschap verkondigen, verschrikkelijke vervolgingen lijden maar wiens leven en prediking met wondere tekens door God gezegend wordt. Zonder een spectaculaire apostel te moeten zijn, kan ons dagelijks leven eveneens door de kracht van Jezus’ verrijzenis doordrongen worden. Lees de Evangelieteksten waarin Jezus verschijnt als Verrezen Heer aan zijn apostelen. Voeg u bij de apostelen. Vertel Jezus uw twijfels en uw zorgen en zeg Hem dat je Hem wil erkennen als uw Redder en dat je Hem wil volgen. Vertrouw uw leven toe aan Hem en geef al uw zorgen aan Hem. De verrijzenis van ons lichaam is voor het einde der tijden maar de verrijzenis van ons hart kan ieder ogenblik gebeuren.

Maria, de Onbevlekte Ontvangenis

Standaard

Beheerder Website's avatarGuido Bortoluzzi – De Middelijke Schepping | Biologie, Theologie en Evolutie

Maria en de Onbevlekte Ontvangenis

Toen Bernadette, op aandringen van haar parochiepriester, aan Maria vroeg om haar naam te onthullen, zei Ze: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis”. Bernadette vond dit moeilijk te onthouden, omdat ze de betekenis niet begreep, en uit angst om het te vergeten herhaalde ze het keer op keer voor zichzelf. Onze Lieve-Vrouw zei niet: “Ik ben de Onbevlekte Maagd” of “Ik ben Zij die Ontvangen is zonder oorspronkelijke zonde (erfzonde)”. Ze definieerde zichzelf met een abstract concept toen Ze zei dat Ze de “Onbevlekte Ontvangenis” was, in plaats van bijvoorbeeld “Zij die onbevlekt is ontvangen”.

Met de conceptie wordt niet alleen verwezen naar het behouden zijn van Onze Lieve Vrouw van de erfzonde en de gevolgen daarvan, maar vooral naar de “conceptie” van een Gedachte, van een Concept: Zij die een rol heeft bij het terugbrengen van de mensheid naar haar oorspronkelijke zuiverheid en volmaaktheid.

Het…

View original post 1.024 woorden meer

Levensgeschiedenis Sint Antonius

Standaard

Sint-Antonius van Padua (1195-1231)

Vanuit Frankrijk en Duitsland waren kruisvaarders, edellieden die het kruis als strijdsymbool aangenomen hadden om de heilige plaatsen in Palestina te bevrijden van islamitische veroveraars, naar Lissabon gegaan. Kruisvaarders hadden in 1147 Koning Alphonso I (1139-1185) geholpen om Lissabon te veroveren op de islamitische Moren.

Als achtergebleven kruisvader en ridder van koning Alphonso was Don Martin de Bulhoës een bemiddelde man. Zijn vrouw Maria stamde uit een voornaam geslacht. Uit dit echtpaar werd op 15 augustus 1195 Fernao Martin de Bulhoës te Lissabon geboren. Hun zoon kreeg de naam Fernando – Ferdinand. Dit betekent: dappere strijder voor de vrede.

Vroom als het adellijke echtpaar was, vertrouwden zij vanaf 1201 de opvoeding van Fernando toe aan de Domschool van Lissabon. Hij kreeg daar les in grammatica, retorica, dialectica en in de hogere klassen, het Quadrivium: in arithmetrica, geometrie, astronomie en muziek. Omdat hij al op jonge leeftijd priester wilde worden, kwam daar theologie en tijdens de liturgische diensten in de kathedraal van Lissabon ook godsdienstpraktijk bij.

Op zijn vijftiende, in 1210 treedt Fernando in bij de Augustijner Koorheren in het klooster São Vincente de Fora (Sint-Vincentius buiten de muren). Maar de vele bezoeken van vrienden en het in opspraak raken van het klooster werden Fernando te hinderlijk. Hij krijgt in 1212 verlof om naar het Augustijner klooster Monstrera de Sancta Cruz (het Heilig Kruis) in Coïmbra te gaan. In deze oude Portugese hoofdstad aan de Mondego studeerde de monnik een achttal jaren theologie (= Godgeleerdheid) en bijbelkennis.

Op 16 januari 1220 liet de kalief van Marokko vijf franciscaanse minderbroeders Bernardus, Otto, Acursius, Adjustus en Petrus afkomstig uit Coïmbra arresteren en onthoofden. Zij hadden in Sevilla, dat toen ingenomen was door de Moren, de islamitische profeet Mohammed en diens volgelingen scherp veroordeeld. Terdoodveroordeling volgde. In genade werden de vijf uit Sevilla verbannen. De minderbroeders gaven echter hun missie niet op. Zij gingen scheep naar Marokko en daar aangekomen begonnen zij openlijk tegen de islam te preken, hun zekere martelaarschap tegemoet. Hun lijken werden door Petrus, een in onmin geraakte broer van koning Alphonso en in dienst van de kalief van Marokko, in het geheim naar Coïmbra overgebracht. Dit martelaarschap maakt diepe indruk op Fernando.

Na veel moeite krijgt Fernando bij hoge uitzondering, schriftelijk toestemming van zijn augustijner prior om te veranderen van kloosterorde. Hij verlaat in 1220 het Augustijner klooster en vestigt zich in het huis van de minderbroeders, genoemd naar de patroon Antonius Abt. Fernando neemt vrijwillig de naam van Antonius aan, laat zich voortaan ook zo noemen. Zonder beginperiode als novice kan de franciscaner minderbroeder Antonius zijn priesterprofessie afleggen. (In een andere bron vond dit laatste pas in 1222 plaats).

Eind 1220 mag Antonius, samen met broeder Philipus als missionaris naar Marokko. Daar aangekomen wordt hij ziek. De koorts wil niet wijken en het klimaat daar draagt niet bij aan zijn herstel. Men overtuigt hem huiswaarts te keren, zich in te schepen. Maar het schip drijft in een zware storm af naar Messina op Sicilië in Italië. De franciscaanse minderbroeders in Messina namen hem liefdevol op en verzorgden hem weer totdat hij weer op krachten was gekomen. Intussen had Antonius tijd om na te denken. Wat hij zag als levensideaal, was mislukt. Hij wachtte op een teken. Wat wilde God van hem?

Samen met andere confraters reist Antonius naar Portiuncula bij Assisië, waar met Pinksteren, eind mei 1221 het generale kapittel van de Franciscanen wordt gehouden. Antonius wilde bij die gelegenheid Fransiscus van Assisië ontmoeten, of tenminste zien. Op het einde van het kapittel was het regel dat de broeders over hun provinciale orden werden verdeeld al naar de behoeften. Antonius schoot er bijna over. Na het kapittel mocht Antonius mee met broeder Gratianus, de provinciaal overste van Romagna. Op eigen verzoek werd Antonius geplaatst in het eenzaam gelegen kluizenaarsklooster van Monte Paolo in de buurt van Forli, tussen Rimini en Bologna.

In 1222 verzamelden dominicaner en franciscaner priesterkandidaten zich in het franciscaner klooster in Forli, waaronder Antonius. Na de priesterwijding door bisschop Ricciardellus Belmonti stelde de provinciaal overste voor, een van de aanwezige gasten, in plaats van tafelrede een toepasselijke preek te laten houden. Niemand achtte zich bekwaam. Antonius werd gevraagd en aangemoedigd te spreken zoals de H. Geest hem zou ingeven. Eerlijk, eenvoudig en ongekunsteld sprak Antonius daarna zijn tafelgehoor toe, het onderwerp volledig beheersend. Hoe langer hij sprak en zijn gehoor boeide, verbaasde iedereen zich over zijn geleerdheid, zijn feilloze schriftkennis. Antonius had zijn eigenlijke roeping gevonden: het apostolaat van de prediking.

De provinciaal veranderde zijn benoeming: hij zond Antonius uit om te gaan preken in heel Romagna waaronder de regio Lombardije tussen Rimini en Milaan. Daarnaast vroeg men hem theologielessen te geven in kloosters (Bologna). Ook dat doet Antonius tussen 1223 en 1224. Antonius bleek vanwege zijn welsprekendheid, zijn overredingskracht en geleerdheid voor het preken talent te hebben; zijn roeping te hebben gevonden. Daarnaast had hij een heldere stem die over grote afstand was te verstaan. Antonius was een klein en gezet man. (Op afbeeldingen van de H. Antonius, op de St. Antoniusbeelden in kerken wordt hij echter als lang en mager afgebeeld) Antonius leefde als een asceet in godsvrucht. De toehoorders kwamen van ver om hem te horen preken en Antonius had de gave om rijken, zondaars en afvalligen te bekeren tot berouwvolle, oprechte gelovigen. 

Tussen 1224 en 1227 strekte zijn apostolaat zich ook uit naar Zuid- en Midden-Frankrijk (Montpellier, Toulouse, Limoges) waar hij de dwaalleer van de Katharen en de Albigenzen, in en rondom de stad Albi, tevergeefs trachtte te weerleggen. Vooral zijn Franse apostolaatwerk onder ‘ketters’ en zijn inzet om kerkelijk- en wereldlijke leiders tot een vreedzame oplossing van de godsdienststrijd te bewegen heeft Antonius veel inzet gekost.

Antonius, inmiddels custos van Limoges, werd kort na de dood van Franciscus van Assisië (1226) teruggeroepen naar Italië voor het kapittel van 1227. Daar werd hij tot franciscaans provinciaal overste benoemd van de provincie Romagna in het noorden van Italië.

Paus Gregorius IX en kardinalen wensten Antonius te horen preken. Die vond plaats aan het pauselijke hof in de paastijd van 1228. Hij preekte er voor een gezelschap van verscheidene nationaliteiten. De indruk die Antonius daarbij maakte moet buitengewoon groot zijn geweest, want de paus noemde hem in het openbaar een ‘schatkamer van de heilige Schrift’.

Antonius zal zeker aanwezig zijn geweest bij de heiligverklaring van Franciscus van Assisië op 16 juli 1228.

Op het generaal kapittel van 25 mei 1230 vroeg en kreeg Antonius toestemming uit zijn functie van provinciaal overste van de provincie Romagna te worden ontheven. Vanwege zijn niet al te beste gezondheid en omdat hij zich meer wilde toeleggen op de steeds groeiende zielzorgtaken in zijn geliefde Padua en omgeving. Hij zette daar zijn predikapostolaat voort. Meestal preekte hij in de Sancta Maria-minderbroederkerk. Na een gedegen voorbereiding preekte Antonius in 1231 tussen 6 februari en 23 maart dagelijks in een andere kerk in de vastentijd voor Pasen over boete doen en bekering. Echter geen kerk in Padua en omgeving bleek groot genoeg om de toegestroomde menigte van plaats te voorzien. Velen bekeerden zich en biechtten bij hem hun zonden.

Allengs raakten de fysieke krachten bij Antonius op. Op 12 juni trok hij zich op met twee minderbroeders terug in een bescheiden huis in Campo San-Piero in de buurt van Padua. ‘s Middags werd hij aan tafel onwel, waarschijnlijk door een beroerte. Hij vroeg om naar Padua te worden gebracht. Met een langzame ossenwagen ging men op weg. Op 13 juni 1231 stierf Antonius in de kamer van de rector van de arme Clarissen in Ancella vlak buiten Padua. De rector gaf hem als laatste het sacrament der stervenden.

Antonius werd 36 jaar.

Daarvan was hij 21 jaar kloosterling,

waarvan 11 jaar franciscaan.

  • Als Antonius van Padua werd hij al op 30 mei 1232 door paus Gregorius IX te Spoleto heilig verklaard.
  • Op 16 januari 1946 werd de heilige Antonius door paus Pius XII verheven tot kerkleraar.
  • Op 13 juni is zijn kerkelijke naamdag. Vele legenden gaan over Sint-Antonius van Padua.
  • Ook worden wonderen aan hem toegeschreven.
  • Hij is een van de vier heilige maarschalken (= bijzondere voorsprekers bij God).

St. Antonius is patroon van:

de Franciscanen, van verloren voorwerpen, van vrouwen en kinderen, de armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, de reizigers en verliefden.

St. Antonius is de patroon tegen:

schipbreuk, de pest en de koorts.

>>>  Sint Antonius (kanparochies.nl)