Het fundamentele verschil in de opvatting van genade en menselijke medewerking

Standaard

Het fundamentele verschil in de opvatting van genade en menselijke medewerking

Redactionele toelichting

Onderstaande tekst is een werkvertaling en bewerking van de voordracht die Gerhard kardinaal Müller hield tijdens het internationale mariale symposium De Maria numquam satis, dat op 7 en 8 oktober 2026 plaatsvond aan het Pauselijk Patristisch Instituut Augustinianum in Rome.

In deze lezing belicht de emeritus-prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer hoe de vrije instemming (Fiat) van de Heilige Maagd Maria en Haar menselijke medewerking (cooperatio) wezenlijk verweven zijn met het verlossingswerk van Christus.

  • Oorspronkelijke titel: Die Mitwirkung der seligen Jungfrau Maria an der Erlösung
  • Auteur: Gerhard kardinaal Müller, Rome
  • Publicatie: kath.net/news/91509 (10 oktober 2026, categorie Spirituelles)
  • Vertaling: Eigen vertaling uit het Duits door pastoor Geudens (op basis van de geautoriseerde Duitse vertaling vanuit het Italiaanse origineel door Kath.net).

Inleiding

De waarheid die tot uitdrukking komt in de theologische visie op de “medewerking” van de Heilige Maagd Maria aan de Verlossing. – Voordracht van Gerhard kardinaal Müller, Rome.

1. Het fundamentele verschil tussen de katholieke en protestantse opvatting van de goddelijke genade en de menselijke medewerking

Een van de belangrijkste theologen van de negentiende eeuw en een vooraanstaand vertegenwoordiger van de katholieke school van Tübingen was Johann Adam Möhler (1796–1838). In zijn hoofdwerk, de Symbolik (1832), herleidde hij de talrijke leerstellige verschillen tussen katholieken en protestanten tot de christelijke antropologie. Het gaat daarbij om de leer over het natuurlijke en bovennatuurlijke beeld van God, over de erfzonde – die de menselijke natuur ofwel volledig verdorven heeft, ofwel slechts heeft verwond – en over de rechtvaardiging van de zondaar door de genade van Christus, de Verlosser (Symbolik, inleiding, 18).

De eenheid van het westerse christendom brak uiteen over de vraag naar de subjectieve rechtvaardiging van de zondaar en haar verhouding tot het objectieve verlossingswerk van Jezus Christus. De grote vraag luidt: Heeft de zonde van Adam voor het gehele menselijke geslacht niet alleen het verlies van de bovennatuurlijke genade tot gevolg gehad, maar ook de volledige verdorvenheid van de menselijke natuur, die naar het beeld van God geschapen is?

Op het eerste deel van de vraag antwoorden katholieken en protestanten eensgezind met ja. In Adam hebben wij de bovennatuurlijke genade verloren, die ons innerlijk – in geest en wil – gelijkvormig maakte aan God. Wij kunnen deze genade alleen terugkrijgen door de genade van Christus, de enige Verlosser van de wereld.

Op het tweede deel van de vraag antwoorden de protestanten, overeenkomstig hun belijdenisgeschriften, dat er in de menselijke natuur niets goeds en niets overblijft wat God welgevallig is. In zijn volledig verdorven natuur is de zondaar zelfs niet in staat de geboden van de natuurlijke zedenwet te onderhouden (Rom. 2,15), of – althans met zijn verstand – het bestaan van God te erkennen, Hem te danken en Hem lief te hebben (Rom. 1,20). Door de zonde van Adam is onze wil volledig verdorven en haat hij God.

Volgens de protestantse leer is zelfs de verlossende genade niet in staat het natuurlijke beeld van God in het schepsel te herstellen, te genezen en te verheffen, ook al komt in de mens, op grond van de goddelijk-menselijke eenheid van Christus, een innige verbinding tussen natuur en genade tot stand. Volgens de protestantse opvatting word ik uitsluitend door het geloofsvertrouwen op Christus gerechtvaardigd.

Christus haalt mij als het ware niet uit de leeuwenkuil waarin zonde, duivel en dood mij dodelijk bedreigen, maar verjaagt slechts van tijd tot tijd de leeuwen die mij aanvallen. Zolang ik op aarde leef, blijf ik voortdurend strijden tegen mijn voor God vijandige natuur. Ik vind zekerheid uitsluitend door in de geloofsdaad voortdurend op Christus te vertrouwen, opdat Hij mij van zonde, duivel en dood verwijderd houdt (simul iustus et peccator – tegelijk rechtvaardig en zondaar).

De katholiek gelooft daarentegen dat de genade van de verlossing en de rechtvaardiging niet alleen de bovennatuurlijke vergoddelijking bewerkt, maar ook de menselijke natuur, met inbegrip van haar geestelijke en morele vermogens, in haar oorspronkelijke goedheid herstelt. Daardoor worden de liefde tot God boven alles en de naastenliefde als zichzelf mogelijk.

De neiging tot zonde – de begeerlijkheid (concupiscentia), die zich tegen God en het goede verzet – is op zichzelf niet langer zonde, maar slechts de overgebleven zwakheid van een in wezen volledig genezen natuur. De gerechtvaardigde zondigt geenszins, in het bijzonder wanneer hij het goede doet (DH 1481). De gedoopte zondigt – zoals het katholieke geloof belijdt – alleen wanneer hij vrijwillig aan de bekoring geeft. De bekoring zelf is immers geenszins zonde voor de mens die in Christus gerechtvaardigd en herboren is.

De neiging tot zonde is ons gelaten opdat wij haar met behulp van de genade bestrijden en opdat wij door gebed, vasten, geestelijke oefeningen en werken van naastenliefde groeien in de liefde tot God en de naaste. Zo bouwen wij het Rijk Gods op en worden wij – op grond van onze verdiensten door het doen van het goede, overeenkomstig Gods universele heilswil – beloond met het eeuwige leven.

Precies hier staat de waarheid van het katholieke geloof op het spel en openbaart zich zijn eigen karakter, dat wij moeten erkennen, verdedigen en verkondigen.

Tussen God en de mens bestaat geen onderlinge concurrentie. Irenaeus van Lyon benadrukte dit reeds tegenover de gnostici van zijn tijd en van alle tijden: God wint niets en verliest niets wanneer Hij persoonlijke schepselen laat delen in zijn oneindige zijn, zijn Geest en zijn onuitputtelijke goedheid.

De genade van God wordt niet groter doordat wij minder hoog denken over de waardigheid van de mens. Zijn majesteit drukt ons niet in het stof. Integendeel: de Zoon neemt, in de eenheid van wezen met de Vader, onze geringheid aan en wordt aan ons mensen gelijk, tot en met de dood aan het kruis, om ons in Zijn Persoon te verheffen tot de heerlijkheid van God de Vader.

Zijn volmaaktheid openbaart zich hierin dat Hij ons schept zonder dat wij daartoe iets bijdragen en ons uit louter genade verlost van de erfzonde en van onze persoonlijke zonden.

2. Het katholieke begrip van medewerking aan de genade

God sluit ons niet uit van het verlossingswerk, maar betrekt ons erbij. Hij stelt ons in staat deel te nemen aan en mee te werken aan het werk van de verlossing en aan de voltooiing van de mensheid in de gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Geest.

De samenwerking van de mens met God vormt daarmee de hoogste waardigheid die God aan de mens kan schenken. De door God geschapen en gezegende natuur komt immers tot ontplooiing in de geestelijke handelingen van de kennis van God en wordt voltooid in het morele handelen vanuit een vrije werkzaamheid als oorzaak.

Thomas van Aquino vat dit begrip samen. Hij maakt onderscheid tussen het niveau waarop God uitsluitend volgens Zijn eigen wezen handelt en de wijze waarop Hij op het niveau van de schepping de mens de genade van medewerking verleent. Daardoor kunnen ook mensen medeoorzaak zijn van de verlossing en rechtvaardiging van zondaars, doordat zij als tweede oorzaken en instrumenten van de Eerste Oorzaak optreden.

Dit stemt overeen met het woord uit 1 Korintiërs 3,9: ‘Wij zijn Gods medewerkers.’

De Doctor Angelicus stelt vast:

‘Dit gebeurt niet wegens een gebrek aan goddelijke macht, maar omdat God zich van tussenoorzaken bedient om de schoonheid van de orde in de dingen te bewaren en ook aan de schepselen de waardigheid van het oorzakelijk handelen te schenken – ut etiam creaturis dignitatem causalitatis communicet’ (Summa theologiae I, q. 23, a. 8, ad 2).

Wij moeten begrijpen dat de medewerking van het schepsel aan Gods heilsplan het hoogtepunt van onze menselijke waardigheid vormt. Precies hierin ligt het fundamentele verschil tussen het katholieke geloof en het protestantisme.

3. De mariologie als criterium van katholieke orthodoxie

Juist daarom vormt de mariologie het hoogtepunt van de katholieke antropologie en het criterium van de katholieke orthodoxie. De gehele verlossing hangt er immers mee samen dat God Maria bij de verwezenlijking van zijn universele heilswil de dignitas causalitatis – de waardigheid van het oorzakelijk handelen – heeft verleend.

De Menswording is uitsluitend Gods werk, want de eeuwige Zoon van de Vader heeft uit Maria de menselijke natuur aangenomen en laat deze bestaan in zijn goddelijke Persoon.

De menselijke natuur van de Moeder van de Godmens is namelijk noch een filosofische abstractie, noch louter een orgaan voor een zuiver biologische voortplanting, laat staan een passief instrument. Zij is de geestelijke natuur van een vrije persoon.

Daarom is Haar Fiat niet eenvoudigweg de gehoorzame uitvoering van een bevel van bovenaf, zoals in het militaire leven het geval is. God openbaart veeleer de grootheid van zijn genade in een liefde die niet overweldigt, maar het heil bewerkt door zich te voegen aan de vrije instemming – de consensus – van het schepsel.

God heeft de verwezenlijking van zijn heilswil in de Menswording, het Kruis en de Verrijzenis van zijn Zoon afhankelijk gemaakt van de vrije instemming van één vrouw. Zo heeft Hij het heil van de gehele mensheid in Haar maagdelijke en moederlijke Hart gelegd.

Als Zij Haar Fiat had geweigerd, zouden wij allen voor eeuwig verloren zijn geweest. God heeft echter geen gok gewaagd, maar Maria van eeuwigheid af uitverkoren om de Moeder van zijn Zoon te worden.

Daarom werd Zij vanaf het allereerste ogenblik van Haar ontvangenis, met het oog op de verlossing van de wereld door Haar Zoon, ook voor de erfzonde behoed.

Haar vrije ‘ja’ was dan ook geen willekeurige keuze tussen twee gelijkwaardige mogelijkheden, maar de voltooiing van Haar zuiverste liefde, die Haar in een bruidsgemeenschap met de Heilige Geest verbindt – namelijk als Bruid.

Toen de engel Haar aankondigde dat Zij de Moeder van de Zoon van God zou worden – die in Haar schoot ontvangen, door Haar gedragen en uit Haar geboren zou worden –, antwoordde Zij, door de kracht van de voorafgaande genade en Haar vrijheid van Adams schuld: ‘Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord’ (Lc. 1,38).

Maria verklaart zich – in de door de genade bewerkte vrijheid – bereid zich ten dienste te stellen van Gods universele heilswil en zo mee te werken aan de historische verwezenlijking ervan, tot en met het kruis en de verrijzenis van Christus.

Het is dezelfde Heilige Geest die de Menswording van het Woord in Haar lichaam en in Haar wil heeft bewerkt en die Maria, door zijn eschatologische nederdaling over de leerlingen van Jezus, tot de Maagd maakt die alle genade ontvangt en tot de Moeder van de gelovigen.

Daarom is Maria op unieke wijze onlosmakelijk en wezenlijk verbonden met het heilswerk van Christus.

Doordat Zij met het oog op de verdiensten van de Middelaar tussen God en de mensen – die uit Haar schoot en door Haar vrije ‘ja’ onze menselijke natuur heeft aangenomen – voor de erfzonde werd behoed, belichaamt Maria in Haar persoon en op archetypische wijze voor de gehele verloste mensheid de nieuwe eenheid van genade en natuur.

De genade blijft daarbij niet vreemd aan de natuur, maar vergoddelijkt haar en openbaart ons de goedheid en heerlijkheid van de nieuwe mens in Christus.

Christus is in zijn menselijke natuur, die Hij uit Maria heeft ontvangen en die hypostatisch met zijn godheid verenigd is – waardoor Maria Moeder van God is –, de Verlosser en Middelaar tussen God en de mensen.

Daarom is ook Maria, in deze betekenis, door Haar wezenlijke medewerking aan de menswording onlosmakelijk en innig verbonden met het verlossingswerk.

Wanneer Maria met Haar ‘Fiat mihi secundum verbum tuum’ – ‘Mij geschiede naar uw woord’ – wezenlijk aan de menswording heeft meegewerkt, omvat dit, namens de gehele mensheid, ook Haar medewerking aan de verlossing door het kruis van Haar Zoon. Zij stond aan zijn zijde, en daar werd Haar ziel door een zwaard doorboord.

Want het lichaam dat aan het kruis hing en waarin Christus zichzelf aan de Vader heeft overgeleverd tot redding van de wereld, is hetzelfde lichaam dat uit Haar geboren werd tot onze redding.

4. De typologie Eva-Maria

Het messiaanse heil begint met Christus en met het geloof en de bereidheid van Maria om de menswording van God in Haar schoot mogelijk te maken.

Dit nodigt ertoe uit, in aansluiting bij de paulinische typologie van Adam en Christus, de ongehoorzaamheid (= vrijwillig ongeloof) van Eva tegenover de gehoorzaamheid en het geloof van Maria te plaatsen (Lc. 1,38; Gen. 3; Rom. 5,19).

Eva werd door haar ongehoorzaamheid en ongeloof de oorzaak van de dood, terwijl Maria de oorzaak van het leven werd.

Maria is in de eigenlijke zin ‘Moeder van de levenden’ (vgl. Gen. 3,20). Want zoals de dood door beide geslachten in de wereld kwam, zo moest ook het leven komen door Christus, de man, en door Maria, de vrouw.

Maria staat aan het begin van de geloofsgeschiedenis van de nieuwe mensheid, dat wil zeggen van de Kerk van het Nieuwe Verbond, die door het geloof opnieuw geboren wordt.

Door Haar geloof is Zij als Maagd het oerbeeld (typus) van de Kerk, die het heil van God ontvangt. Tegelijk is Zij de typologische samenvatting van het wezen van de Kerk, die door haar verkondiging en haar heilsdienst, in de kracht van het geloof en het doopsel, voortdurend nieuwe leden voortbrengt van het Lichaam van Christus – de Kerk.

Vanuit het perspectief van een verlossingsleer die vanuit het licht van de menswording wordt ontvouwd, verschijnt Maria als gezellin en helpster van Christus (socia Christi) en is Zij bijgevolg voor de Kerk en de mensen degene die voor hen opkomt en hun bijstand verleent (adiuvatrix).

De medewerking van Maria houdt echter niet in dat Zij het werk van Christus, de stamvader van de nieuwe mensheid, enkel ondersteunt. Zij staat veeleer aan de zijde van de Kerk, die het heil ontvangt en – krachtens de haar geschonken genade en door haar eigen voorbeeld – eraan meewerkt dat de Kerk en haar afzonderlijke leden zich in geloof en liefde met Christus, hun Hoofd, laten verenigen.

Dit gebeurt overeenkomstig de verhouding tussen Bruidegom en Bruid, waarin de persoonlijke relatie van Christus tot de Kerk en van de Kerk tot Christus tot uitdrukking komt (vgl. Ef. 5,23).

De theologische categorie van Eva’s ongehoorzaamheid – die tegenover Maria’s gehoorzaamheid en geloof wordt geplaatst en waarvan reeds bij Justinus de Martelaar en Tertullianus sprake is – vindt bij Irenaeus van Lyon een overtuigende uitdrukking:

‘De Heer kwam zichtbaar in zijn eigen bezit; Hij werd gedragen door zijn eigen schepping, die zelf door Hem gedragen wordt. Door zijn gehoorzaamheid aan het hout volbracht Hij de herneming van de ongehoorzaamheid die door het hout was begaan. En de verleiding waaraan Eva – een maagd die aan de man ondergeschikt was – zo jammerlijk ten prooi was gevallen, werd tenietgedaan door de waarheid die de engel op heerlijke wijze aan Maria – een maagd die reeds aan een man was toevertrouwd – verkondigde.

Want zoals Eva door het woord van de engel werd verleid, zodat zij voor God vluchtte en zijn woord overtrad, zo ontving Maria door het woord van de engel de blijde boodschap, zodat zij God in sich opnam en zijn woord gehoorzaamde.

En zoals Eva zich liet verleiden tot ongehoorzaamheid aan God, zo liet Maria zich bewegen tot instemming met en gehoorzaamheid aan God, opdat de Maagd Maria de voorspreekster van de maagd Eva zou worden.

En zoals het menselijk geslacht door een maagd aan de dood werd gebonden, zo werd het erdoor bevrijd; want de ongehoorzaamheid van een maagd werd tenietgedaan door de gehoorzaamheid van een Maagd.

Zo werd de zonde van de eerste mens goedgemaakt door het juiste handelen van de Eerstgeborene, werd de list van de slang overwonnen door de eenvoud van de Duif en werden de banden verbroken die ons aan de dood gekluisterd hielden …’

Het blijft dus waar dat ‘Maria door Haar gehoorzaamheid de oorzaak van het heil werd voor Haarzelf en voor het gehele menselijke geslacht’.

Op grond van het historische feit van Haar gehoorzaamheid aan het Woord van God – dat uit Haar vlees heeft aangenomen tot heil van alle mensen – is Maria tegelijk het voorbeeld en de maatstaf van de mens die volmaakt met God verenigd is.

Zij is de Vol-van-Genade, de gelovige bij uitstek en daarmee de volmaakt verloste.

5. De ontwikkeling van mariale dogma’s

Hier wordt ook duidelijk dat de twee grondbegrippen ‘genade’ en ‘geloof’ – die als twee brandpunten met elkaar corresponderen – het beginsel vormen van de geschiedenis van de mariale dogma’s.

De latere geloofsuitspraken over Maria, die geleidelijk in het geloofsbewustzijn van de Kerk tot ontwikkeling komen, getuigen daarom niet slechts van een geïsoleerde belangstelling voor Maria als persoon. Integendeel, in de spiegel van de fundamentele mariale uitspraken zijn in de loop van de geloofsgeschiedenis de trekken van het christelijke mensbeeld zichtbaar geworden.

Wanneer Maria in de katholieke vroomheid en theologie dus met Haar medewerking aan de verlossing wordt beschreven, gaat het noch om een misleidende toeschrijving, noch om een overdreven uiting van geestdrift, maar om een waarheid die objectief in de Openbaring besloten ligt.

Deze waarheid mag niet worden verzwegen uit consideratie met de afwijzing ervan door protestanten – die vanuit hun leer over de rechtvaardiging de verlossing begrijpen zonder de vrije medewerking van de mens en haar bijgevolg beperken.

De waarheid moet daarentegen worden toegelicht binnen de volledige samenhang van het goddelijk-menselijke verlossingswerk van Christus, de Zoon van God, en Maria.

Ook christologische titels worden op analoge wijze op ons toegepast. Christus is de Zoon van God, één in wezen met de Vader; toch zijn ook wij door de genade van het goddelijk kindschap kinderen van God.

De benaming ‘kinderen van God’ doet geenszins afbreuk aan het unieke karakter van Christus’ goddelijke Zoonschap binnen de allerheiligste Drie-eenheid en in de Menswording. Integendeel, zij brengt juist de universele uitwerking ervan tot uitdrukking.

Thomas van Aquino geeft nog een ander voorbeeld. De soteriologische titel van Christus als enige Middelaar tussen God en de mensen (1 Tim. 2,5) komt Hem op unieke wijze toe.

Toch kunnen ook priesters – bisschoppen en presbyters – middelaars tussen God en de mensen worden genoemd, omdat zij dienaren zijn van de Hogepriester en Middelaar van het Nieuwe Verbond en als plaatsvervangers van Christus de heilbrengende sacramenten aan de mensen toedienen.

Zij oefenen het ambt van priester en middelaar echter niet op ‘primaire en volmaakte’ wijze uit, maar slechts op ‘dienende en voorbereidende’ wijze (Summa theologiae III, q. 26, a. 1).

Iedere gedoopte is geroepen en verplicht om in de geest van Maria eraan mee te werken dat alle mensen deel krijgen aan de verlossing door Christus.

Wie de regels van de katholieke theologie kent, kan daarom geen aanstoot nemen aan het analoge gebruik van christologische en soteriologische titels.

Ook in de oecumenische dialoog gaat het niet om een vals irenisme dat de zuiverheid van de katholieke leer zou aantasten, maar om een dieper begrip van de oorspronkelijke betekenis en om de juiste begripsmatige en taalkundige formulering daarvan.

Ook bij de ‘hiërarchie van de waarheden’, waarover het decreet van het Tweede Vaticaans Concilie over de oecumene spreekt, gaat het niet om een mechanische indeling in belangrijke en minder belangrijke leerstellingen. Het gaat om hun onderlinge verhouding tot het fundament van het christelijke geloof: Gods wil dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen door de enige Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Christus Jezus, de Zoon van Maria; die door de menswording en Haar Fiat Moeder van God is geworden.

Het beginsel numquam satis de Maria – ‘over Maria kan nooit genoeg worden gezegd’ – heeft niets te maken met een mariologisch maximalisme dat diplomatiek en pedagogisch in evenwicht zou moeten worden gebracht door een mariologisch minimalisme.

Dit beginsel drukt niets anders uit dan de fundamentele waarheid van het katholieke geloof tegenover het gnosticisme.

Volgens het katholieke geloof groeit de mens in denken en handelen naarmate hij zich meer door de genade laat dragen en naar de hoogten van God laat voeren.

In Maria, de Moeder van de Zoon van God, van de Kerk van Christus en van alle gelovigen, herkennen wij op typologische en exemplarische wijze wat voor iedereen geldt:

‘De glorie van God is de levende mens; het leven van de mens is echter de aanschouwing van God.’

6. De waarheid die tot uitdrukking komt in de titel ‘Maria Medewerkster aan de Verlossing’

Ook het bezwaar dat deze visie pas in de late middeleeuwen is ontstaan, houdt bij nader onderzoek geen stand.

De omstandigheid dat een geloofswaarheid in de Openbaring besloten ligt, mag immers niet worden verward met de begripsmatige formulering ervan.

Vanaf het begin geloofde het christendom in de menswording van de Zoon van God, terwijl het kerkelijk leergezag dit mysterie pas veel later tot uitdrukking bracht in de formule van de eenheid van de goddelijke en menselijke natuur in de Persoon van de Zoon van God: de hypostatische unie.

Zo moet ook met betrekking tot Maria’s altijddurende maagdelijkheid en Haar goddelijk moederschap worden gehandeld. Deze waarheden worden duidelijk in de Bijbel betuigd. Hun uiteindelijke oorsprong ligt in Gods uitverkiezing; Haar ontvangenis vond plaats zonder de smet van de erfzonde en Haar voltooiing vond plaats in de tenhemelopneming van Haar lichaam en ziel.

Zoals alle mysteries van het christelijke geloof volgens de analogia fidei – de analogie van het geloof – nauw met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds verklaren, zo is ook de dogmatische leer over Maria geen subjectieve samenvoeging van heterogene elementen.

Zij is veeleer de uiteenzetting van haar oorsprong in het ene mysterie van Gods zelfmededeling in Christus, Haar Zoon – als waarheid en leven voor ieder mens die samen met de Moeder van de gelovigen zegt:

‘Zie, ik ben de dienstknecht van de Heer.’

De Doctor Angelicus vraagt in zijn Expositio in Salutationem Angelicum (Uitleg van de engelengroet, het Weesgegroet) waarom Maria ‘gezegend onder de vrouwen’ is. Hij antwoordt:

‘Maria bracht de zegen en opende de poort van de hemel. Daarom komt Haar de naam Maria toe, die “Sterre der Zee” betekent. Want zoals zeelieden door de Sterre der Zee naar de haven worden geleid, zo worden christenen door Maria naar de heerlijkheid geleid.’

Voetnoten

  • Voetnoot 1: Irenaeus van Lyon (Adversus haereses). ‘Het hout’ verwijst typologisch naar zowel de boom in het paradijs als het kruis van Christus. Jezus heeft door Zijn gehoorzaamheid aan het houten kruis de herneming (recapitulatio) en het herstel volbracht van de menselijke ongehoorzaamheid bij de boom in Eden.
  • Voetnoot 2: Volgens de vroegchristelijke traditie was Eva in Eden vóór de zondeval nog maagd. Irenaeus spiegelt de maagd Eva (die zich liet verleiden tot ongehoorzaamheid) aan de Maagd Maria (die koos voor gehoorzaamheid). Maria wordt zo de voorspreekster die de val van Eva en de mensheid herstelt.
  • Voetnoot 3: Verwijst naar Matteüs 10,16. ‘De eenvoud van de Duif’ (symbool voor de Heilige Geest en Maria’s zuivere overgave) staat tegenover de ‘list van de Slang’ (het kwaad). De zondeval is niet overwonnen door macht, maar door zuiverheid en ootmoedige gehoorzaamheid.
  • Voetnoot 4: Gloria Dei est vivens homo, vita autem hominis visio Dei – Irenaeus van Lyon, Adversus haereses IV, 20, 7.

Pastoor Geudens

Smakt, 13 oktober 2026 (Herdenking van de Verschijning van Maria te Fatima)