
De kleine weg van waarheid en barmhartigheid
(Een persoonlijk getuigenis)
Mijn dagelijks leven en mijn inzet voor de medemens spelen zich af op terreinen die voor mij nauw met elkaar verbonden zijn en in essentie om hetzelfde draaien: de unieke, door God gegeven waardigheid van elk menselijk leven en de grenzeloze, genezende kracht van Zijn barmhartigheid. Nabijheid staat daarbij voor mij altijd centraal. Of het nu gaat om het bieden van een luisterend oor aan eenzame ouderen, het samenkomen in gebed, of mijn betrokkenheid bij het prille begin van het leven en de momenten van diep menselijk verdriet — al deze kanten van de zielzorg komen voor mij samen in één enkel fundament: het heroverwegen en verdedigen van de unieke en onafneembare waardigheid van ieder mens.
In het maatschappelijk debat van vandaag wordt de waarde van een mens maar al te vaak afgemeten aan wat iemand kan, presteert of bijdraagt. We kijken naar zelfstandigheid, nut of verstand. Maar wanneer we geloof en rede met elkaar verbinden, ontdekken we dat die maatschappelijke maatstaf schromelijk tekortschiet. Menselijke waardigheid is immers geen voorwaardelijke stempel die door een cultuur of overheid wordt toegekend; het is een diepe, goddelijke werkelijkheid die deel uitmaakt van ons allereerste bestaan.
Het wonder in de allereerste cel
Als ik nadenk over de oorsprong van ons mens-zijn, zie ik hoe het leven zich niet door een blind toeval laat verklaren, maar getuigt van een volstrekt stabiele, goddelijke ordening vanaf de allereerste seconde. Op het exacte moment van de bevruchting ontstaat de allereerste cel. Dit is geen ‘belofte voor later’ of een mogelijk menselijk leven in wording, maar vanaf die allereerste seconde een volwaardig menselijk leven met een eigen, unieke toekomst.
Binnen die allereerste cel bevindt zich al het volledige en unieke erfgoed dat de biologische koers van dit individuele mensenleven bepaalt. Er wordt later geen enkel fundamenteel nieuw element meer aan toegevoegd; het kindje in de moederschoot heeft enkel tijd en voeding nodig om verder te ontluiken. Deze specifieke biologische combinatie heeft in de hele wereldgeschiedenis nog nooit bestaan en zal ook nooit meer op precies dezelfde manier terugkeren.
Aan deze feiten geeft mijn geloof een diepe, geestelijke lading. Het ontstaan van de mens is het directe resultaat van Gods wil. God vormt en kent de mens vanaf het allervroegste begin. Dat betekent dat de eerste cel van ieder mens geen toevallig bijproduct van de natuur is, maar de tastbare handtekening van Gods scheppend woord. Onze waardigheid begint niet pas bij de eerste ademteug of hartslag, maar ligt onuitwisbaar besloten in die allereerste cel.
Hier raakt ons wetenschappelijk inzicht direct aan de kern van de ‘kleine weg’. Is er een mooier voorbeeld te bedenken van die kleine weg dan de extreme kwetsbaarheid van dat allereerste, eencellige menselijk leven? In die allerkleinste beginfase, die met het blote oog niet eens te zien is, toont God Zijn grootste scheppingswonder. Ik voel mij geroepen om juist in die kleinheid de grootsheid van Gods liefde te herkennen. Wat door de wereld soms als klein of ‘onbeduidend’ wordt weggecijferd, is in de ogen van de Hemelse Vader een volwaardig mens dat Hij met oneindige tederheid bemint.
Gebrokenheid en barmhartigheid
Sinds het begin der tijden draagt onze schepping helaas de sporen van gebrokenheid. Ziekte, lijden, innerlijke strijd en onze neiging tot fouten zijn het gevolg van het feit dat de mens verwijderd is geraakt van de oorspronkelijke harmonie met zijn Schepper. Als ik om mij heen kijk — van het kwetsbare begin in de baarmoeder tot de eenzame oudere op zijn levensavond — zie ik een wezen dat drager is van een goddelijke waardigheid, maar tegelijk zucht onder die gebrokenheid. Ook het beschadigen of beëindigen van ongeboren leven is een uiting van diezelfde diepe gebrokenheid; het is een miskenning van Gods orde en van de sacrale waarde van het leven.
Aan de ene kant staat voor mij de onwankelbare waarheid: het leven in de schoot van de moeder is vanaf de eerste cel heilig en beschermwaardig. Aan de andere kant sta ik oog in oog met de rauwe werkelijkheid. Ik zie van dichtbij hoe mensen — vaak omringd door angst, eenzaamheid, dwang of maatschappelijke druk — de beslissing nemen tot een abortus.
In mijn pastorale werk heb ik vaak mogen ervaren wat dat achterlaat. Wie te maken krijgt met een abortuservaring, draagt soms een diepe, stille verwonding met zich mee. In de maatschappij wordt een abortus vaak weggeschoven als een snelle oplossing, maar onze ziel en ons lichaam laten zich niet zo makkelijk misleiden. Omdat de band tussen moeder en kind vanaf die allereerste cel diep in ons wezen verankerd ligt, veroorzaakt het afbreken van een zwangerschap niet zelden een verzwegen, open wond. Velen — vrouwen én mannen — blijven achter met een knagend gevoel van spijt, onuitspreekbaar verdriet en een diepe breuk in hun levensverhaal.
Een veilige plek van herstel
In de geest van het Evangelie mag het opkomen voor het ongeboren leven voor mij nooit veranderen in een vingerwijzing of veroordeling van wie is gestruikeld. Uit eigen ervaring in de pastorale begeleiding weet ik dat echte genezing altijd begint bij het onder ogen zien van de realiteit in een sfeer van diepe veiligheid.
Tijdens dagen van innerlijk herstel en stilte zie ik hoe mensen stap voor stap de moed vinden om de waarheid toe te laten: dat het kindje dat er was, een echt en uniek menselijk leven betrof met een door God geschonken waardigheid. Maar daar blijft het gelukkig niet bij. Ik mag getuige zijn van het moment waarop de ervaring van Gods barmhartigheid alles omsluit. Gods liefde is immers altijd groter dan onze gebrokenheid; de pijn van een abortus is nooit het eindstation. Onze Heer is niet gekomen om te veroordelen, maar om te genezen.
In die veilige setting mag het kindje alsnog bij name worden genoemd. Het wordt alsnog in de armen van een liefdevolle God gelegd, ontvangt een eigen naam en krijgt een waardige plek in de familie. Dit sluit zo naadloos aan bij de waarheid die ik in de genetica en het geloof heb ontdekt: dat ditzelfde kind vanaf zijn allereerste cel al door God bij zijn naam werd geroepen.
Een baken van hoop
Voor mij vormen de waarheid over de schepping en de praktijk van barmhartigheid twee onlosmakelijke zijden van dezelfde medaille. De wetenschappelijke en theologische feiten over het prille begin leren mij waarom elk leven heilig is. De pastorale praktijk van de nabijheid biedt vervolgens de warme opvang voor hen die met de scherven van het leven zitten. Zo wordt onze gemeenschap geen kille vesting van regels, maar een plek van hoop, waarheid en innerlijke genezing.
Als gelovigen hebben wij een prachtige opdracht. Onze roeping is er een van liefde, gebed, overgave en diepe solidariteit met de allerkleinsten. Wie de geheimen van de schepping en die allereerste cel begrijpt, kan niet anders dan knielen voor de uniekheid van elk mensenleven. Maar wie tegelijk de diepte van Christus’ barmhartigheid ervaart, weet dat er voor geen enkele menselijke wond een definitief eindstation bestaat.
Of het nu gaat om de dagelijkse zorg, het luisterend oor voor de eenzame mens, het samenkomen in gebed of het begeleiden van mensen die worstelen met de pijn uit hun verleden: Gods antwoord op de verwonding van onze wereld is nooit de afwijzing van de mens. Het is altijd de warme, onvermoeibare uitnodiging tot herstel. Niet gesproken met een lijst van beschuldigingen, maar met de bevrijdende woorden van Zijn oneindige barmhartigheid:
“Je bent gekomen. Welkom thuis.”
Jack Geudens, pr.
Smakt, 30-10-2026