Goede Vrienden, steeds meer worden we ons bewust van drie ontwrichtingen waartegen we ons moeten verzetten.
Vooreerst het groeiend “internationaal onrecht” tegenover Syrië en zovele andere landen die door grootmachten voor hun eigenbelang worden uitgebuit, uitgemoord, gemanipuleerd, ontwricht. De internationale organisaties met hun schitterende principes van respect voor soevereiniteit, solidariteit, vrede … hebben hierop geen enkele vat of doen zelfs nog huichelachtig mee. De grootmachten blijven als schurkenstaten ongestraft dood en vernieling zaaien en worden zowel door de ‘internationale gemeenschap’, EU en NAVO voorop, als door de media gesteund. Syrië heeft door een eensgezindheid en samenhang tot heden alle gruwelen getrotseerd. Mogelijk probeert men nu onenigheid te zaaien tussen de allawieten zelf, wat gevaarlijker zou kunnen zijn dan alle oorlogen voorheen. Toch zal de eensgezindheid van Syrië niet licht van buitenaf gebroken kunnen worden.
Een tweede trend betreft de doodcultuur. De principes van eerbied voor het leven, waardigheid van de menselijke persoon, het gemeenschappelijk welzijn en geluk van een samenleving worden door nieuwe wetten en gebruiken omgekeerd tot morele zelfdestructie. Wie niet meedoet wordt beschouwd als nog niet aangepast. Abortus, euthanasie, genderwaan, totale afbraak van het huwelijksgeluk en gezinsleven, vernietiging van gemeenschappelijk cultuur en goed… gaan steeds verder. Kom me niet vertellen dat de wettenmakers hiervan het geluk en de vreugde van de samenleving beogen! In het verleden waren het christelijk geloof en de katholieke Kerk, weliswaar doorheen menselijke onvolkomenheden, de grootste garanties voor leven, ontwikkeling, geluk en welzijn. Nu is het antichristelijk en antikatholiek syndroom de enige algemeen aanvaarde discriminatie. Grootwarenhuizen, dierentuinen, musea gaan weer open, maar over het fundamenteel recht van een christen om de hl. Eucharistie bij te wonen wordt zelfs niet gesproken. Het hoogste gerechtshof in Frankrijk en Duitsland hebben al beslist dat de sluiting van kerken illegaal en disproportioneel is. Jongeren hebben ook bij ons een aanvraag in deze zin ingediend bij de Raad van Staten, die werd afgewezen.
En zo komen we bij de derde ontwrichting: de schending van de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers onder voorwendsel van een epidemie. Brak er vroeger een besmettelijke ziekte uit, dan werden de zieken afgezonderd en verzorgd, nooit werd de hele bevolking lamgelegd en opgesloten met armoede en hongersnood als gevolg. De abdijen hadden hun “pesthuisje” waar de zieken werden verzorgd. Wisten de kerkhaters vroeger tijdens de Goede Week een of ander schandaal in het volle licht te plaatsen, dit jaar waren ze in staat wereldwijd de hele Paasviering af te schaffen en dit werd aanvaard ook nog! Onbegrijpelijk. En deze werelddictatuur gaat onverminderd verder in de richting van een verplicht vaccin, hoe nutteloos of zelfs erg schadelijk het ook zou zijn. Miljarden winst voor de farmaceutische industrie om mensen ziek te maken. En onze media blijven de simpele effectieve geneesmiddelen afwijzen op grond van “wetenschappelijke studies”. Studies van de gerenommeerde medische tijdschriften zoals The lancet, The New England Journal of Medecine, Britisch Medical Journal zijn onbetrouwbaar, zoals hun uitgevers zelf uitdrukkelijk toegeven. De corruptie van de “medische wetenschap” spat als een etterbuil open: ze is de gevangene van de farmaceutische industrie terwijl politici en journalisten vrolijk meespelen. Paris Match (7-14 mei 2020) had al de moed en de eerlijkheid om een reportage te geven vanuit het Duitse Max Planck Instituut, dat onomwonden artemisia sterk aanraadt tegen corona. Iemand stuurde me deze goede raad om een vaccin, dat verplicht zou kunnen worden in crisistijd, toch te weigeren. Vraag de arts of hij kan verzekeren dat het vaccin geen cellen bevat van MRC (5) (van geaborteerde baby’s). Dat kan hij niet, want dat hebben ze allemaal. Dan kun je vriendelijk weigeren.
“We hebben tegenwoordig een strijd in de wereld, die velen niet willen kennen; een geestelijke strijd. En deze is nog erger dan alle anderen. Een van de gevaarlijkste satanische aanvallen stort zich op de Kerk en op alles, dat de naam Christelijk draagt, het overvalt de wereld, en deze laatste is het slachtoffer van een duivelse bezetenheid. In het zicht van dit gevaar blijf ik, de Koningin van de Heilige Rozenkrans, zegevierend in alle grote veldslagen van de Christenheid. Gij zult mij nooit tevergeefs aanroepen.” – Zo sprak de Moeder Gods in Kerizinen op 7 oktober 1961. Zij sprak duidelijk van een strijd of oorlog, een weliswaar geestelijke strijd.
Voor een strijd zijn echter ook wapens noodzakelijk. Hoe groter en sterker de vijand is, des te machtiger, aan strijd en vijand aangepaste wapens men nodig heeft. Maria is echter niet voor niets de meest wijze en verstandigste Koningin.
Als zij ons tot de strijd oproept, en wel tot de strijd tegen Satan, dan zorgt zij ook voor passende wapens, die zij zelf uitgevonden heeft. Het gaat om een geestelijke strijd, en daarvoor hebben wij ook een geestelijk wapen nodig, dat zo sterk en machtig is, dat het alle aanslagen en aanvallen van de Satan vermag te vernietigen. Dit wapen is de Heilige Rozenkrans.
Strijd en wapen. Het is eigenlijk niets nieuws, geen nieuwe boodschap, alleen de herhaling van die in de H.Schrift staat, haast ononderbroken leert zij ons, dat wij altijd tegen de Boze moeten strijden. Zo lezen wij in het boek Job: “Strijd is het leven van de mens op aarde.” Jezus zelf heeft zeer dikwijls over deze strijd of dit gevecht gesproken.
De H.Paulus beschrijft tot in details deze strijd in zijn brief aan de Efeziërs (6.10-18). Hij schrijft: “Ten slotte! Weest sterk in de Heer en in zijn sterke kracht! Legt aan de wapenrusting Gods, om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht. Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht. Op dan! Uw lenden omgord met de waarheid, en het pantser der gerechtigheid om; de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor de blijde Boodschap van vrede; het schild van het geloof steeds voor u uit, om al de vurige pijlen van de Boze te kunnen smoren; grijpt naar de helm van het heil en het zwaard van de Geest; dit is het woord van God. Blijft bidden in de Geest, te allen tijde met gebed en smeking in allerlei vorm; draagt daarbij zorg, om ook met grote volharding voor alle heiligen te blijven bidden.”
Waarom deze nooit aflatende strijd? Omdat de tegenstander, de vijand van God en onze vijand, ons geen rust laat. In de Openbaring van Johannes lezen wij: “Wee echter de aarde en de zee! Want de duivel is tot u neergedaald… Nu ontstak de Draak in woede tegen de Vrouw; hij maakte zich gereed, om de strijd te voeren tegen de rest van haar kinderen, tegen hen, die de geboden van God onderhouden, en het getuigenis van Jezus bezitten.” (12.12-18) De H.Schrift en de werken van de heilige Kerkleraren bevestigen de nooit rustende boosheid, wreedheid en arglist van de hel, die, als het mogelijk was, alle leden van de H.Kerk in de eeuwige verdoemenis zou willen sleuren. Het gaat om een strijd, die velen niet willen kennen, zoals de Moeder Gods het in Kerizinen geopenbaard heeft.
Nu bekijken wij in het kort, hoe deze strijd voor iedere afzonderlijke ziel uitgevoerd wordt.
De Strijd
Vanaf het ogenblik van de ontvangenis voeren de engelen veel en hevige strijd tegen de duivel om het hun toevertrouwde schepsel te verdedigen. De duivels beweren een recht op dat schepsel te bezitten, omdat het met de erfzonde ontvangen is en daarmee een kind van de vloek is, de goddelijke genade en vriendschap onwaardig, in één woord hun slaaf. De engel daarentegen verdedigt het. Ook al zou het kind met de erfzonde belast zijn, dan heeft het deze door de natuur opgelopen. De schuld ligt bij de eerste ouders, niet bij de wil van het kind. God heeft het ongeacht deze zonde geschapen, opdat het Hem kenne, Hem love, Hem diene en krachtens het lijden en de verdiensten van Christus de eeuwige heerlijkheid verwerven kan. Zulke bedoelingen vermogen enkel de wil van de satan geenszins te verijdelen. (Zr. Maria van Agreda. B.7. hfdst.15)
Dikwijls doen de duivels gelden, dat de ouders bij de verwekking van het kind niet de juiste bedoeling en mening gehad hebben. Gaat het om echtelijke kinderen, dan doen de engelen gelden, dat de ouders het H.Sacrament van het Huwelijk en de zegen van de Kerk ontvangen hebben. Bezitten de ouders bovendien zekere deugden; milddadigheid voor de armen, barmhartigheid, vroomheid en de verdiensten van andere goede werken, dan gebruiken de engelen deze als wapens tegen de boze geesten, om op die manier hun beschermelingen te verdedigen.
Hebben de ouders zelf generlei verdiensten of deugden, zijn zij integendeel zondig en slecht, dan voeren de engelen tot bescherming van het arme schepsel de verdiensten van zijn voorouders, grootouders, broers en zusters, de gebeden van vrienden en van de H.Kerk aan.
Al deze gevechten alsook de daarbij gebruikte wapens zijn van geestelijke aard, zoals ook de goede en kwade engelen geestelijke wezens zijn. De machtigste wapens tegen de kwade geesten zijn de goddelijke waarheden en geheimen: Gods Waarachtigheid! Het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, de geheimen van Onze Heer Jezus Christus, de Verlossing (zie de geheimen van de Rozenkrans), Zijn oneindige Liefde, waarmee Hij ons bemind en verlost heeft. Verder de Heiligheid en zuiverheid van de Allerheiligste Maagd Maria. Haar geheimen (Rozenkrans) en verdiensten. Over deze geheimen verkrijgen de kwade geesten tijdens deze strijd nieuwe inzichten. Daartoe worden zij door de engelen en door God zelf gedwongen. Dan gebeurt het, dat, zoals de H. Jacobus zegt, de duivels geloven en beven. Deze waarheden verschrikken en pijnigen hen dermate, dat zij, om niet te veel daarop te hoeven letten, zich in de afgrond storten. Wegens hun haat tegen de geheimen van Jezus Christus (de geheimen van de Rozenkrans) zijn de kwade geesten door de gedachten hieraan meer gepijnigd dan door het vuur dat hen kwelt. (Zr. Maria van Agreda)
De aanvallen van de kwade geesten alsmede de verdediging door de Heilige Engelen worden na de geboorte van het kind voortgezet. De duivel wendt alle middelen aan, het H.Doopsel te verhinderen. Doch de onschuld van het kind schreit tot de Heer met de woorden van Koning Ezechias: “Heer, ik lijd geweld, sta mij toch bij in mijn nood” (Is.38.14). Zo roepen de engelen in naam van het kind. 0p deze leeftijd waken de engelen met grote zorgvuldigheid over de kleinen, omdat zij zichzelf niet kunnen helpen en omdat zelfs de grootste waakzaamheid van diegenen die zich om hen bekommeren, de dreigende gevaren niet kunnen afwenden.
Diegenen, die het geluk hebben, het H.Doopsel en daarna het H. Vormsel te ontvangen, ondervinden aan deze H.Sacramenten een machtige bescherming tegen de hel, krachtens het eeuwigdurend merkteken, dat deze sacramenten schenken, en ook krachtens de genade van de rechtvaardiging, door welke de dopeling als kind van God en erfgenaam van de hemel wedergeboren wordt. Daartoe behoren nog de ingestorte goddelijke en zedelijke deugden, waarmee zij gesierd en gesterkt worden. Uiteindelijk krachtens de deelname aan de overige sacramenten en aan de voorbede van de Kerk, waarin aan hen de verdiensten van Christus en Zijn Heiligen geschonken worden. (Zr. Maria van Agreda)
Heeft de mens het volledig gebruik van zijn verstand verkregen, dan wordt de strijd tussen de kwade en goede engelen nog heviger. Zodra wij namelijk een zonde begaan, zoekt de helse slang met aanwending van al haar arglist het daartoe te leiden, dat wij, voordat wij boete doen, het leven verliezen en dan eeuwig verloren gaan. Konden de mensen zien, hoeveel netten en valstrikken de satan gelegd heeft en wel terwille van hun eigen zonden, dan zouden allen bij iedere stap, die zij doen, sidderen!
Met alle macht zoekt de kwaadaardige vijand te bewerken, dat de mensen hun zonden vermenigvuldigen, zodat de maat van hun schuldenlast snel vol is en de tijd voor boete en die voor het leven voor hun ingekort wordt. De Heilige Engelen echter, die zich over de bekering van de zondaars verheugen, doen alle moeite, de kinderen van de Kerk zoveel mogelijk van het zondigen af te houden. Wanneer het hun desondanks niet gelukt, de zondaars tot bekering te bewegen, vragen zij om bemiddeling bij de Heilige Maagd Maria. Zij smeken Haar, Middelares bij Haar Zoon te zijn en haar hand op te heffen, om de kwade geesten weg te jagen.
Opdat echter de zondaar de goedige barmhartigheid van Maria zich enigermate waardig zou maken, trachten de engelen de hun toevertrouwde zielen een bijzondere vrome aandacht tot de Hemelkoningin bij te brengen en hen tot een of ander goed werk ter ere van Maria te bewegen, waarmee zij het dan aan de Hemelkoningin kunnen opofferen.
Op deze manier ontkomen talloze zielen aan de ketenen van de zonde en daarmee ook aan de klauwen van de helse Draak. Talloos zijn de zielen, die in een zo vreselijke toestand geraken, dat zij de machtige arm van de Hemelkoningin nodig hebben, om daaruit bevrijd te worden. De duivels zijn buiten zich zelf van woede, als zij zien, dat een zondaar Maria aanroept of slechts aan haar denkt. Zij weten, dat, als Maria ingrijpt, Zij de zaak van de zondaar tot de Hare maakt, en dat voor hen dan noch hoop noch een of andere kracht tot tegenstand overblijft. (Zr. Maria van Agreda)
Het Wapen
Hoe echter werkt de Rozenkrans als wapen? Zoals wij het hierboven uitgewerkt hebben, pijnigen de geheimen van de menswording van Jezus Christus en de Verlossing de Satan en alle kwade geesten het meest. Deze geheimen echter zijn niets anders dan de geheimen van de Rozenkrans. Als men dan de Rozenkrans beschouwend en met aandacht bidt, worden de kwade geesten door de H.Engelen, in het bijzonder door de engelbewaarder gedwongen, op deze geheimen te letten. Terwijl echter de beschouwing van deze geheimen voor de kwade geesten onverdraaglijk is, wijken zij direct en storten zich liever in de hel terug. Men moet bijgevolg alle moeite doen, de Rozenkrans eerbiedig en beschouwend te bidden. Dit lukt natuurlijk niet altijd, omdat wij geen engelen maar mensen zijn. Wij moeten ondanks dat in het Rozenkrans-bidden volharden, want als wij ook niet steeds aan de geheimen kunnen denken, is het bidden van de Rozenkrans tenminste nog een zich-aan-God-herinneren, iets bovennatuurlijks, zoals dat Lucia van Fatima in een brief geschreven heeft. Ook dit is voor de kwade geesten pijnlijk.
Alleen al de gebeden van de Rozenkrans, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, het Ere zij de Vader…, het Fatima gebed en bijzonder het zo vaak herhaalde Wees gegroet Maria, pijnigen onuitsprekelijk de Draak en alle kwade geesten, dat dit hen afkeer inboezemt.
Ik wil hier niet nader op de afzonderlijke geheimen ingaan, men zou dan over elk een artikel kunnen schrijven, wat hier te ver gaat. Gedurende de gehele Rozenkrans beschouwen wij het grootste werk van God, de Menswording van Zijn Zoon en de Verlossing van de gevallen mensheid. Heel kort samengevat kunnen wij zeggen, dat wij in de blijde geheimen de onuitsprekelijke nederigheid van Maria en Jezus beschouwen kunnen. Deze nederigheid is voor de vermetele hoogmoed van de Draak en zijn aanhang onverdraaglijk.
In de droeve geheimen kunnen wij de oneindige liefde van God beschouwen. De liefde van God de Vader, die ons zo beminde dat Hij Zijn Zoon voor ons gegeven heeft. De liefde van Jezus Christus, die zich voor ons op het kruis opgeofferd heeft; ook de liefde van de Moeder Gods, die Haar Zoon voor ons gegeven en met Hem alles meegeleden heeft. Omdat de wrede geesten vol van haat zijn, worden zo deze geheimen van Gods oneindige liefde voor hen tot een onverdraaglijke kwelling.
In de glorievolle geheimen beschouwen wij de overwinning van Jezus Christus over de dood en de zonde, de triomf en de verheerlijking van Maria en de nederlaag van Satan. Het zijn opnieuw geheimen, welke de kwade geesten zodanig pijnigen, dat zij zich liever in de hel storten, dan deze verdragen.
Hopelijk begrijpen wij tenslotte, wat voor een machtig wapen wij in handen hebben, als wij de Rozenkrans bidden, bijzonder echter, wanneer wij hen eerbiedig bidden. Zouden alle gelovigen de Rozenkrans met eerbied bidden, dan zouden in weinig minuten alle kwade geesten van de aarde verdreven zijn en een onvoorstelbare vrede zou op de gehele aarde zijn intrek doen.
We hebben begrepen, hoe verschrikkelijk en onverdraaglijk de Rozenkrans voor de kwade geesten is. Daaruit volgt, dat, als iemand tegen het Rozenkransgebed is, hetzij een bisschop, priester of leek, hij een dienaar van Satan en een vijand van God is.
“Groot is de kracht van het leger, die niet de degen, maar de Rozenkrans in de hand heeft.” (Pius IX)
“Het grote reddingsmiddel, dat dieper ingrijpt dan alle diplomatie, geweldiger werkt dan alle organisaties, is de Rozenkrans. De bidders verrichten meer voor het welzijn van de mensheid dan de redenaars, de organisatoren, de stichters, de secretarissen, de afgevaardigden.” (Leo XIII)
“Wij moeten iedere dag de Rozenkrans bidden, het is het gebed, dat Onze Lieve Vrouw op speciale wijze aanbevolen heeft, als het ware als wilde Zij ons voor deze dagen van de duivelse veldtocht daartegen voorbereiden.” (Lucia van Fatima)
”De Rozenkrans is voor velen een onbekende. Ook voor hen, die hem bidden. Want men kan hem bidden, zonder hem te kennen. De rozenkrans is niet op de eerste plaats de veelvuldige herhaling van enige gebeden. Hij is voor alles werkelijke beschouwing. Als de tirannen wisten, wat voor een macht wij Rozenkransbidders in de hand hebben, zij zouden de rozenkrans met bedreiging van gevangenis en landuitwijzing verbieden.” (prelaat Robert Mader)
Pater Johannes Dlustusch, SDB, feestdag van de Heilige Rozenkrans, 7 oktober 1980.
Rozenkrans bidden met Maria van Agreda
Een aantal mysteries betreffende de Heilsgeschiedenis; over onze Heer Jezus Christus de gekruisigde en verrezen Liefde; de H. Maagd Maria en de uitstorting van de H. Geest, naar de visioenen van de eerbiedwaardige zuster Maria van Agreda.
Zijn afbeelding bekijkend, als de Aartsengel tegen de Draak strijdt en hem in de hel stort, denkt men onwillekeurig aan het twaalfde hoofdstuk van de geheime openbaring, waar staat:
“Toen barstte een strijd in de Hemel los: Michaël met zijn engelen streed tegen de Draak; ook vochten de Draak met zijn engelen. Maar de laatsten legden het af, en er was geen plaats meer voor hen in de Hemel” (Openb.12.7-8).
De H. Johannes spreekt van hetgeen er gebeurd was, en weliswaar in het begin. In het begin schiep God hemel en aarde. Het ‘begin’ bestond daarin, dat de Almachtige God, in Zichzelf onveranderlijk blijvend, als het ware uit Zich naar buiten trad, om buiten Zichzelf de schepselen te doen ontstaan. De schepselen zijn dan begonnen, een eigen bestaan aan te nemen, en God is als het ware begonnen, van zijn schepping te gaan genieten, als van werken, welke, elk op zijn manier, volmaakt waren. (Zr. Maria van Agreda, B.1, hfdst.7)
God sprak, het worde licht! En het werd licht! Mozes spreekt hier niet alleen over het lichamelijke licht, maar ook over het geestelijke licht, welke de engelen zijn. Het zinnebeeld van het licht is zeer eigen aan de natuur van de engel, en in bredere zin heeft het ook de verlichting en genade te betekenen, waarmee zij bij hun schepping begiftigd werden. De Heer scheidde weldra het licht van de duisternis en noemde het licht dag, de duisternis nacht. Deze scheiding vond niet enkel plaats tussen de natuurlijke dag- en nacht tijd, maar ook tussen de goede en kwade engelen. Aan de goede engelen verleende God het eeuwige licht van zijn Aanschouwing en noemde deze dag; de eeuwige Dag. De kwade noemde Hij nacht van de zonde en wierp hen in de eeuwige duisternis van de hel.
Waarom ontstond eigenlijk de grote strijd in de Hemel?
De engelen moesten, zoals ook later de mens, een beproeving ondergaan, om het loon, de Hemel, enigermate te verdienen. Die beproeving bestond hierin, dat God zich in drie Personen aan de engelen bekend maakte. Hij liet hen zijn plannen zien, in het bijzonder, dat Hij nog andere schepselen, de mensen, wilde doen ontstaan, in een lagere natuur dan die van de engelen. De tweede Persoon van de Allerheiligste Drievuldigheid zal mens worden en zal zich met deze lagere natuur verenigen. Hij zal door een maagd deze natuur (het vlees) aannemen. De Zoon zal werkelijk God en werkelijk mens zijn in één Persoon. De Zoon zal door alle engelen aanbeden en vereerd worden als hun Koning en Heer. Ook zijn maagdelijke Moeder zal door allen als hun Koningin en Meesteres erkend en vereerd worden. God liet hen ook het loon zien, dat hen te wachten stond, als zij dat doen, wat Hij van hen verlangt, maar ook de straf, die zij in eeuwigheid moeten ondergaan, als zij zich tegen Zijn bevel verzetten (Maria van Agreda, B.1 hfdst.7).
Deze beproeving of dit geheim beschrijft de H. Johannes in de Apocalyps (Openb.12.1): Nauwelijks had God aan de engelen Zijn Wil bekend gemaakt, of daar gebeurde iets zeer tragisch en voor ons onvoorstelbaar. De grootste, intelligentste en machtigste engel, Lucifer, keert zich tegen het bevel van God uit trots en nijd. En hij riep ook de andere engelen op, die hem volgden, hetzelfde te doen. Daarop begon de grote strijd in de Hemel. Het was een geestelijke strijd tussen gerechtigheid en ongerechtigheid, tussen waarheid en leugen.
Lucifer heeft in zijn waanzinnige hoogmoed God verweten dat het onbillijk is, als Hij de menselijke natuur boven die van de engelen stelt. “Ik ben de hoogste en mooiste engel zei lucifer en mij komt de triomf toe. Ik zal mijn troon boven de sterren (engelen) plaatsen, aan de Allerhoogste wil ik gelijk zijn. Aan niemand zal ik mij onderwerpen, die van geringere aard is dan ik. De Zoon die deze Vrouw zal baren, is van een geringere natuur dan de mijne. Ik zal Hem verslinden en te gronde richten. Ik zal mijn aanhang tegen Hem aanvoeren. Ik zal een leer verkondigen, die Zijn denkbeelden en wetten, die Hij zal opleggen, tegenspreekt. Ik zal een eeuwige strijd tegen Hem voeren en vijandschap met Hem hebben.”
In zijn onmetelijke onbeschaamdheid en hoogmoed eiste hij nog van God, dat de menswording door zijn persoon zou gebeuren.
Uit deze brutale en godslasterlijke woorden van Lucifer kennen wij zijn oneindige hoogmoed en zijn onuitsprekelijke slechtheid. Als straf werd hij dan, hij die de mooiste der engelen was, in een lelijke draak veranderd. Dit beschrijft de H. Johannes in de Apocalyps met de woorden: “Nog een ander teken verscheen aan de hemel. Zie, een grote rossige Draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. Zijn staart sleepte het derde deel van de sterren (engelen) des hemels weg, en wierp ze op aarde. En de Draak stelde zich op tegenover de Vrouw, die op het punt stond te baren, om zodra zij gebaard had, haar Kind te verslinden” (Openb. 12.3-4). De zeven koppen betekenen de zeven legioenen (engelen), die met hem gevallen zijn. Ook de zeven hoofdzonden. De tien hoorns op de koppen betekenen zijn waanhoogmoed en de triomf van zijn ongerechtigheid en slechtheid.
De slechtheid en de waanzinnige hoogmoed van Lucifer wekte de toorn van de Heer op en Hij sprak tot hem: “Deze Vrouw, die gij niet wilt eren, zal u de kop verpletteren. Zij zal over u zegevieren en uw macht vernietigen, en zoals door uw hoogmoed de dood in de wereld zal komen, zo zal door de nederigheid van deze Vrouw het leven en heil over de stervelingen komen. Zij zullen het loon en de kronen ontvangen, die gij met uw aanhang verloren hebt” (Zr. Maria van Agreda, B.I, hfdst.7).
Zulke vermetelheid en een zo grote slechtheid tergden ook de goede engelen, in het bijzonder de H. Aartsengel Michaël. Hij was de eerste die zijn trouw en liefde aan God, aan het mensgeworden Woord en Zijn Moeder betuigde en de eer, die Hen toekomt, verdedigde. Zoals de afvalligen zich aan de zijde van de Draak opstelden, zo volgden de goeden en getrouwen de H. Michaël. En hij, uitgerust met de kracht van God en bewapend met zijn eigen nederigheid, streed met de toestemming van God dan met alle goede engelen tegen de Draak en sprak tot hem: “Waardig is de Allerhoogste de eer, de lofprijzing en de verheerlijking, waardig is Hij, liefde, eerbied en gehoorzaamheid van alle schepselen te ontvangen. Hij is machtig alles te doen, wat Zijn Wil verlangt, en niets kan Hij verlangen, wat niet het hoogste recht is.
Hij, die ongeschapen is – voerde de H. Aartsengel Michaël verder aan – is van geen wezen afhankelijk, heeft uit genade ons gegeven wat we bezitten, doordat Hij ons uit niets geschapen en gevormd heeft. Hij kan ook andere schepselen voortbrengen, wanneer en hoe naar Zijn welbehagen. Daarom is het rechtvaardig, dat wij, in deemoed voor Hem neervallend, Zijne Majesteit en Koninklijke Hoogheid aanbidden. Komt dus, Gij Engelen, volgt mij na! Laat ons Hem aanbidden en Zijn wonderbare, geheime oordelen en Zijn volmaaktste, heilige werken lofprijzen.
Laat ons Hem aanbidden – sprak verder de H. Aartsengel Michaël – en Hem dank zeggen voor het wonderbare werk waartoe Hij besloten heeft voor de Menswording, voor de uitverkiezing van Zijn volk en het herstel hiervan, als het mocht vallen! En die Persoon in twee naturen, de goddelijke en menselijke, willen wij aanbidden, eren en als ons Hoofd beschouwen. Wij willen belijden, dat Hij alle eer, lofprijzing en verheerlijking waardig is, en Hem als de grondlegger van alle genade en glorie macht en godheid toekennen” (Zr. Maria van Agreda, B.1, hfdst.9).
Op de lasteringen van Lucifer, welke hij over de Moeder van God uitgesproken had, antwoordde hem de H. Aartsengel Michaël: “Wie is hij, die zich wil vergelijken met of zich gelijksoortig houdt aan de Heer, die in de Hemel woont? Zwijg, jij vijand met je lasteringen! De onrechtvaardigheid heeft je in bezit genomen, daarom weg met jou uit ons gezelschap, jij rampzalige! Verdwijn met je blinde domheid en slechtheid in de duistere nacht en verwarring van helse pijnen! Wij echter, de geesten van de Heer, wij willen ons neerwerpen voor deze gezegende Vrouw, die aan het Eeuwige Woord het menselijk vlees zal geven; wij willen Haar eerbied betonen en Haar als onze Koningin erkennen” (Zr. Maria van Agreda. B.1, hfdst.19).
Wij weten uit deze woorden, dat de H. Aartsengel Michaël ook de eerste en grootste Maria vereerder was en is. Geen schepsel had Maria, de Moeder van God, ooit zo bemind en geëerd als hij. Nadat hij zo gesproken had, slingerde hij toen de in een draak veranderde Lucifer de Hemel uit met deze onoverwinnelijke woorden: “Wie is als God!” Dit woord was zo heilzaam, dat het de trotse reus met al zijn scharen deed verpletteren en hem met verschrikkelijke schaamte in de diepste afgrond van de aarde liet neerstorten. Nu kreeg deze tot zijn ongeluk en tot straf nieuwe namen als: Draak, Oude Slang, Duivel, Satan; namen, welke de H. Aartsengel Michaël hem in de strijd gegeven had en welke zijn onrechtvaardigheid en boosaardigheid uitdrukken. Deze val beschrijft de H. Johannes in de Apocalyps (Openb.12.9).
De strijd is in de Hemel beëindigd, maar hij wordt hier op aarde voortgezet. De draak weet het, dat hij maar weinig tijd heeft en deze geringe tijd gaat snel ten einde. Gedreven door zijn boosheid en grote haat tegen de mensen fluistert hij hen het tegendeel in. Deze misleidingmanoeuvre gelukt hem zelfs zeer makkelijk en loopt helemaal volgens zijn verleidelijk plan. Want de tegenwoordige mensheid is door de verworvenheden van onderzoek, techniek en wetenschap zo aanmatigend en verblind geworden, dat de meesten blindelings alles aannemen, wat onder de leuze “wetenschap” verspreid wordt. Zo verspreidt Satan door valse wetenschappers de opvatting, dat er nog veel tijd zou zijn, nog vele miljoenen jaren, en de mensheid zou pas aan het begin van het moderne leven staan. De waarheid is echter juist het tegendeel. Wij hebben nog maar zeer weinig tijd. Dat heeft ons de Moeder Gods in La Salette, in Fatima en andere oorden onmiskenbaar duidelijk geopenbaard. Daarover bestaat geen twijfel.
Zoals in het begin van de tijden in de Hemel de H. Aartsengel Michaël de strijd tegen de draak aangevoerd en hem verslagen heeft, zo doet hij het vandaag hier op aarde aan het einde der tijden, om de Kerk van God, de eer van de Moeder Gods en de uitverkorenen te verdedigen en over de eindstrijd te beslissen. Dit heeft reeds de profeet Daniël voorspeld, als hij over het einde der wereld profeteerde en schreef: “In die tijd zal Michaël, de Aartsengel, opstaan, die de kinderen van uw volk beschut. Het zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er nog nooit is geweest tot die dag, sinds er volkeren bestaan. Maar uw volk zal in die tijd worden gered; allen, die staan opgetekend in het boek” (Dan.12.1).
Deze ‘tijd van verdrukking, zoals er nog nooit is geweest’ beleven wij nu. De Moeder Gods heeft ons daarop dikwijls opmerkzaam gemaakt. De H. Aartsengel Michaël strijdt niet alleen. Alle engelen strijden met hem. Hij is echter de sterkste, machtigste, de Vorst van de hemelse Heerscharen. God heeft hem die plaats gegeven, die Lucifer verloren had, als beloning voor zijn grote liefde en deemoed. Wat voor een plaats hij vroeger temidden van de engelen had weten wij niet. Maar dit weten wij, dat hij de eerste van alle engelen was, die zich, gedreven door zijn trouw en grote liefde tot God en diens Moeder, tegenover de machtige Lucifer stelde en hem aangevallen heeft. De eindstrijd tussen de H. Aartsengel Michaël en de draak is reeds lang begonnen. In La Salette zei de Moeder Gods: “In het jaar 1864 zal Lucifer met een grote schare duivels losgelaten worden.” Nu in onze tijd spelen zich de laatste uren van deze strijd af.
Zoals het echter reeds altijd was, hebben velen oren, maar zij horen niet, hebben zij ogen, maar zij zien niet. De meeste mensen zijn door de leugenachtige propaganda van de wereld en de sluwheid van de duivel verleid en verblind. De oorzaak van deze verblinding is de waanzinnige hoogmoed van de huidige wereld, die zich inbeeldt zo machtig te zijn, als God zelf. God wordt daardoor uitgedaagd, en de arme mensheid zal ondanks zijn verworvenheden en ondanks al zijn instrumenten, die zij in de atmosfeer zendt, te gronde gaan.
Wij moeten dus onze ogen en oren openen om naar de stem van Onze Hemelse Moeder te luisteren en de tekenen van dit tragische uur van de mensheid te verstaan en tezamen met de H. Aartsengel Michaël strijden. Hij was voorzien van de kracht van God en bewapend met zijn eigen deemoed. Zich bewapenen met de kracht van God betekent, zoveel mogelijk bidden, in het bijzonder de Rozenkrans. Laten wij als de H. Aartsengel Michaël, zeer deemoedig zijn, want de deemoed is het sterkste wapen tegen de waanzinnige hoogmoedige draak.
De apostelen vroegen op een dag een Jezus: “Wie is de grootste in de Hemel?” en Jezus antwoordde hen: “Wie de kleinste is onder jullie allen, die is de grootste” (Luc.9.48). Het laat zich makkelijk raden, dat, als de H. Aartsengel de machtigste engel is, hij de kleinste en deemoedigste van allen was. Hij heeft door zijn deemoed de draak uit de Hemel gestort, omdat de mateloze trotse draak de deemoed niet verdragen kan. Waar hij deemoed ziet en vindt, daar vandaan vlucht hij. Aan de deemoedigen, de kleinen geeft God zijn genade en kracht.
Het is dus de H. Aartsengel Michaël, die van alle engelen God het meest bemint, Hem het diepst vereert en aanbidt en Hem het allereerst tegen de draak verdedigde. Hij is het ook, die tegelijkertijd de Moeder Gods het meest beminde en vereerde en met zijn hele kracht verdedigde. Daarom is hij de lieveling van de Moeder van God. Hij verlaat haar nooit, waar Zij is, daar is hij ook met zijn engelen.
Het is van zelf sprekend, dat nu in deze eindstrijd, die de draak tegen de Kerk van Jezus Christus en tegen Zijn Moeder voert, de H. Aartsengel Michaël weer naar voren treedt met de hele hemelse legerschare van engelen, om de draak voor eens en altijd te bestrijden, zoals de profeet Daniël voorzegd heeft. Want de H. Aartsengel Michaël is de beschermheilige van Jezus’ Kerk, en God heeft de uitverkorenen onder zijn hoede gesteld en hem de opdracht gegeven, allen, die door het kostbaar Bloed van Jezus Christus vrijgekocht zijn, in het eeuwig Rijk van God binnen te voeren.
Wij hebben gezien, wie de H. Aartsengel Michaël is. Hij bezit de grootste liefde en verering tot God en Zijn Moeder Maria. Hij is de machtigste van alle engelen, de Vorst van de Hemel, omdat hij de kleinste en de moedigste was. Staan wij hem bij in deze eindstrijd met onze gebeden en offers, bijzonder echter door onze ware deemoed. Dan zal hij ons nu in dit grote gevaar verdedigen en redden. En hij zal het ook zijn, die ons na de overwinning bij de Moeder Gods en bij God zal brengen.
Pater Johannes Dlustusch, SDB, 8 mei 1980, feestdag Verschijning van de H. Aartsengel Michaël.
Gebed
Heilige Aartsengel Michaël, glorievolle Prins der hemelse legermachten, verdedig ons in de strijd tegen de satanische vorsten en machten, tegen de heersers van de wereld der duisternissen, tegen de boze geesten in de lucht (Ef,6.12). Kom de mensen te hulp, die God naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft (Wijsh.2.23) en tegen zo’n hoge prijs verlost heeft van de tirannie van de duivel (1 Kor.6.20). De H. Kerk vereert U als haar bewaker en beschermer, gij aan wie de Heer de verloste zielen toevertrouwd heeft, om ze binnen te leiden in het hemels geluk. Smeek dus de God van de vrede Satan onder onze voeten te verpletteren, opdat hij de mensen niet meer gevangen houdt in zijn kettingen en de Kerk niet meer vermag aan te vallen. Biedt de Allerhoogste onze gebeden aan opdat Gods barmhartigheid snel over ons neer daalt. Grijp gijzelf de draak, de oude slang dat is de duivel of Satan en werp hem geboeid in de afgrond, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden (Openb.20.2-3). Amen. – Paus Leo XIII