God in ons: over het grote voorrecht te mogen delen in Gods eigen leven

Standaard
Door Jan Leechburch Auwers

Hoe onze bovennatuurlijke voorrechten te ‘realiseren’

Deze term (realiseren en realisatie) werd in dit verband voor het eerst gebruikt door kardinaal Newman: to realize. Het staat ongeveer gelijk met ons’ verwerkelijken’ in de oorspronkelijke betekenis van het woord: iets tot goed besefte, innig doorvoelde, levende, levenwekkende en diep doorleefde werkelijkheid maken. Zo moet in ons een grote waardering gaan leven voor het unieke voorrecht van het kindschap Gods, de staat van genade, te mogen delen in Gods eigen leven!

‘Als je de gave Gods zou kennen…’

De katholieke universiteitsprofessor Ollé-Laprune schreef eens in zijn dagboek: ‘Ik ben christen door de genade Gods. Weet ik wel wat het is: christen te zijn? Het is niet voldoende christen te zijn uit sleur, uit gevoel. Ik wil weten waarom ik christen ben, ik wil het zijn na overdenking en onderzoek, uit vrije wil. Ik wil mij ervan bewust zijn wat ik ben, het proberen te zien en te begrijpen… De beginselen en waarheden van het christendom wil ik mij voor de geest halen, ze overdenken en trachten te doorgronden…’

Hier is een christen aan het woord die geen genoegen neemt met een geloofsleven uit sleur of gewoonte, maar die zich ernstig rekenschap wil geven van de bovennatuurlijke schatten die het Doopsel ons geeft. Zelfs de zogenaamd ‘goede’ christengelovigen tonen zich vaak zo weinig echt ‘christen’, maar hoe komt dat? Zij realiseren hun goddelijke voorrechten niet genoeg, ze zijn er zich niet diepgaand van overtuigd en brengen de doopgenaden te weinig in praktijk.

God woont in ons door de genade. Wij echter leven praktisch zo alsof Hij er niet is. ‘Realiseren’ nu bestaat hierin: dat wij trachten in te zien welk oneindig goed wij binnenin ons bezitten, proberen te beseffen wat – beter: Wie – zich daar bevindt. Het gaat er niet om Hem erin te brengen (Hij is er immers al), maar om Hem er te ontdekken, ervoor te zorgen dat Hij die reeds in ons is, er ook werkelijk voor ons is: een levende realiteit die wij ons ‘realiseren’.

Want hoe zou een schat, waarvan we het bestaan niet eens kennen, voor ons een aansporing kunnen zijn om christelijk te leven? Men zal wellicht zeggen: om in staat van genade te leven is het absoluut niet nodig het wezen van die bovennatuurlijke toestand te doorgronden. Hoofdzaak is: in staat van genade te leven; als ik vrij ben van zonde, dan is dat genoeg. Zolang ik in staat van genade ben, is mijn leven verdienstelijk, zijn mijn daden goede werken, nuttig voor mijn eeuwige zaligheid; mijn ziel is immers met God verenigd. Het is toch niet nodig dat ik die bovennatuurlijke realiteit kan verklaren, dat ik de consequenties en draagwijdte ervan naga.

Ja, dat is inderdaad niet nodig om het leven van jan en alleman te leiden. Akkoord! Maar kan men het leven van een groot percentage van de katholieken nog wel echt ‘katholiek’ noemen? Men neemt vaak genoegen met sommige simpele gebruiken en devoties, waarvan men dan bovendien de diepere zin niet goed beseft. Of het gaat alleen maar om wat uiterlijke schijn, en dat is alles! Maar dat is helemaal geen leven, omdat verstandelijk inzicht en diepgaande overtuiging geheel ontbreken!

‘Als ge enig begrip hadt van de gave Gods…’ (Joh 4,10). Als we die goddelijke gave maar eens een beetje meer, een beetje beter zouden begrijpen! Als we er alvast maar een flauw vermoeden van zouden hebben!

Wij moeten tot een levendige overtuiging komen van de onzichtbare realiteit

Ongelukkig genoeg ondervindt een beter inzicht bij ons omtrent die innerlijke goddelijke gave een grote hindernis. Want heel de bovennatuurlijke orde behoort tot de onzichtbare wereld en loopt daarmee groot gevaar ongemerkt aan ons voorbij te gaan.

Een eerste noodzaak is dus: zich te overtuigen van de realiteit, van de werkelijke toestand die er in ons is. Die staat van genade is er echt en werkelijk, maar wij moeten die ons geheel eigen maken.

Men zegt dan al te gauw: ‘Ik voel niets, dus is er ook niets’. Heel wat verschijnselen van de meest stoffelijke aard hebben in ons plaats, die ons bewustzijn volkomen ontgaan: spijsvertering, stofwisseling, bloedsomloop enz. Is het dan zo vreemd dat, waar sprake is van zieleleven en van geestelijke, bovennatuurlijke verschijnselen, er niets opgemerkt, niets gevoeld wordt? Men moet er zich wel van overtuigen dat buiten de zichtbare wereld er nog een tweede wereld bestaat – al kunnen wij die niet zien – en dat die onzichtbare wereld van een heel wat verhevener orde is dan de zichtbare.

God die van alle eeuwigheid onzichtbaar is, heeft zich niet meer dan drieëndertig jaar zichtbaar en tastbaar aan ons vertoond. Heeft Hij daarom slechts drieëndertig jaar bestaan? Wij kunnen Zijn tegenwoordigheid niet waarnemen, maar toch ‘leeft Hij eeuwig’.

De zielen van de overledenen die deze wereld verlaten hebben, zijn uit het schouwspel van de zichtbare wereld verdwenen, omdat zij niet meer op onze zintuigen inwerken (we kunnen ze niet meer zien, horen, voelen), maar daarmee houden zij nog niet op te bestaan. Als een mens de spraak verliest, wil dat nog niet zeggen dat hij niet meer kan denken, wel dat hij ons zijn gedachten niet meer gemakkelijk kan meedelen.

Wij leven dus in een geestelijke wereld, niet louter in een wereld van het zichtbare; en van deze twee werelden is niet de stoffelijke, maar de geestelijke de meest werkelijke. En omdat die geestelijke wereld eigenlijk alleen meetelt en voor ons van betekenis is, nodigt Sint-Paulus ons uit ook alleen op het geestelijke acht te slaan. Leeft niet op de aarde, maar in de hemel: ’Maar ons vaderland is in de hemel, vanwaar wij dan ook de Heer Jezus Christus als onze Heiland verwachten’ (Fil 3,20). Uw leven moet in God verborgen zijn: ‘Uw leven is nu met Christus verborgen in God’ (Kol 3,3). En dan nog dit: ’…omdat hij de Onzichtbare om zo te zeggen zag’ (Hebr 11,27). Heb dus slechts oog voor de onzichtbare dingen. En dat onzichtbare betekent niet: zeer ver weg of in de toekomst, maar heel dichtbij ons en nu tegenwoordig; wie dus die onzichtbare wereld niet elk ogenblik beschouwt als een actueel bestaand iets, die zal onvermijdelijk maar half of hoogstens voor driekwart leven, omdat het mooiste deel van de werkelijke wereld, van de totale wereld hem ontgaat.

Kardinaal Newman komt heel vaak op dat idee terug en herleidt alles tot deze twee stellingen.

Er bestaan heel wat dingen, waarvan wij weten dat ze bestaan, zonder dat we ze daarom ooit als werkelijk bestaand hebben gezien. Wij horen heel wat woorden, waarin een waarheid ligt uitgedrukt en die wij ook als zodanig erkennen, maar desondanks vatten wij die slechts als beeldspraak op en beschouwen wij die waarheden louter theoretisch en praktisch van nul en gener waarde.

Een paar voorbeelden: Neem eens het woord ‘uur’. Voor degene voor wie dat woord geen praktische waarde heeft, die het niet ‘realiseert’, betekent het de som van zestig minuten. Voor hem die het wel ‘realiseert’ en die aan de praktische waarde van een uur denkt, heeft dat woord een heel andere betekenis, al naar gelang zijn denkwereld, temperament, levensomstandigheden enz. ‘Het uur dat snel voorbijgaat…, de reeks van zestig snel opeenvolgende minuten…’ In één minuut hebben honderden sterfgevallen plaats en ook honderd geboortes. Bij honderden de eerste levenskreet, bij honderden ook de laatste levenssnik.

Neem een ander woord: het kruis. Wie het niet ‘realiseert’, tot een levende werkelijkheid maakt, die denkt bijv. aan twee lijnen – de ene horizontaal, de andere verticaal – of aan het rekenkundig teken plus. Maar voor wie het wel ‘realiseert’ en die in zijn leven omzet, houdt het in: eenmaal, langgeleden, heeft op een berg een kruis gestaan, een echt houten kruis. Waartoe het heeft gediend? En welke dag was dat? Dikwijls heeft men het beeld van de gestorven Jezus aan een kruis geklonken, maar aan dat éne kruis heeft men een levende, bloedende Jezus vastgenageld… En Hij is er voor mij aan gestorven.

Menig woord maakt geen indruk meer op ons, omdat het veel, vaak dagelijks gebruikt wordt. Bij toeval of door dieper na te denken begint zo’n woord op zekere dag plotseling voor ons te leven, krijgt het zin en leven; eerst leeg heeft het nu diepe betekenis, eerst zwak blijkt het nu rijk aan onvermoede werkelijkheid.

Om zich een waarheid ten volle en levendig eigen te maken, moet men deze innerlijk ‘proeven’

De H. Ignatius van Loyola maakt de volgende bemerking. Om een waarheid tot de zijne te maken, moet men er niet vluchtig overheen glippen, maar erbij stilstaan, erop terugkomen, als ’t ware zich erop fixeren: de dingen innerlijk proeven. ‘Veel tijd is er nodig’, schrijft Newman, ‘voordat wij de zaken aanvoelen en begrijpen zoals ze werkelijk zijn; geleidelijk aan, trapsgewijs zullen we dat leren.’ Als dit bij het waarnemen van zichtbare dingen al een belangrijke factor is, hoeveel te meer dan in het rijk van het onzichtbare.

Wrakhout op zee blijft lang drijven op de golven totdat uit de zee komende zouten, koralen, zeewier, schelpen e.d. zich erop vastzetten. Langzaam, langzaamaan zinkt het dan dieper en dieper. Dat is dat innerlijk proeven. Zo moet het ook gaan met bepaalde begrippen, vooral als wij ze niet met onze zintuigen kunnen waarnemen. Aan de oppervlakte van onze geest ligt menig idee: het blijft daar drijven zonder erin door te dringen. Om er diep in te zinken moet het eerst een deel van onszelf worden, moet het zwaarder gemaakt worden met dingen die uit de diepte van onze eigen geest opstijgen  en doordrongen worden van onze herinneringen, onze intiemste gedachten, onze fijnste of meest ingrijpende gevoelens, van al wat er in onze ziel leeft en streeft: zo zal dat begrip ons voor altijd vertrouwd raken, echt een stuk van onszelf worden. Dan beginnen wij het te ‘realiseren’.

*            *            *

Het is duidelijk dat sommige zielen voor dit werk van ‘realisatie’ een gunstiger aanleg hebben dan andere. Maar wat nodig en voldoende is, dat kan iedereen bereiken, mits men zich oefent in de geest van geloof. Wij spreken hier enkel en alleen over wat voor ieder toegankelijk is op gebied van godsvrucht en innerlijk leven. God heeft sommige zielen met bijzondere gunsten begenadigd. Voor de H. Margaretha Maria was de gevoelde tegenwoordigheid van de Heer vrij gewoon. Tot de Zalige Heinrich Suso zei zijn Engelbewaarder eens: ‘Richt uw ogen op uw borst en ge zult zien’. En alsof zijn lichaam doorschijnend werd, zo zag hij God in zijn binnenste. Tot de H. Catharina van Siëna zei O.L.Heer eens: ‘Gij zijt degene die niet is en Ik ben Degene die is. Beschouw Mij in het binnenste van uw hart, gij zult weten dat Ik uw Schepper ben en ge zult gelukkig zijn!’

Deze gevallen, waarbij het gaat om bijzondere genaden, aan bevoorrechte zielen gegeven, blijven hier verder buiten beschouwing, omdat deze studie zich wil bepalen tot de tegenwoordigheid Gods in elke ziel in staat van genade, enkel en alleen door het feit zelf dat zij in staat van genade is, d.w.z. delend in het Goddelijk Leven. Wie zou eender welke christen kunnen beletten zich erop toe te leggen door het geloof de God die in hem leeft, te ontdekken?

Als ik naar de kerk ga, weet ik door het geloof: de Heer Jezus Christus woont daar in het tabernakel. Ik kniel neer en belijd: Jezus is daar voor mij…, dat is waar. En dan denk ik er verder over na. Waarom zo ook niet gedaan wat betreft de tegenwoordigheid Gods in ons door de genade?

In het boek De Heer van de Wereld  van Hugh Benson beschrijft de auteur de ervaringen van een van zijn romanhelden als volgt: ‘Zoals altijd begon hij ook nu zijn overweging door zich vrijwillig van de zintuiglijke en zichtbare wereld af te sluiten’ – laten we zeggen: hij begon met een geloofsdaad getuigenis af te leggen van het bestaan van de onzichtbare wereld. ‘Hij deed moeite om in zijn eigen innerlijk binnen te dringen en erin af te dalen. Al spoedig verdwenen de klanken van het orgel, het geschuifel van voeten en het gevoel van de harde houten knielbank; dat alles was uitwendig en leek van hem af te glijden, alsof hij alleen nog een kloppend hart was, een geest die telkens weer nieuwe beelden schiep en emoties… Dan ging hij er nog dieper op in. Zijn geest en zijn hart werden geheel beheerst door het verhevene dat hij aanschouwde en volgzaam onderwierp hij zich aan zijn wil… Dit duurde een tijdje… Nu bevond hij zich voor een geheime deur, waarheen hij in taaie wilsvolharding de weg had gevonden, die toegang gaf tot het mysterievolle gebied, waar de realiteit duidelijk wordt, waar het geloof als het ware voelbaar en tastbaar wordt en waar men de Kerk en haar geheimen van binnen in ziet…’

Het voorafgaande is tamelijk lastig en ook volstrekt niet nodig. God leeft in mij. Dat geloof ik. Daarmee stel ik een geloofsdaad, maar de geest van geloof gaat verder. Het blijft niet bij louter instemming met een formule, waarvan de inhoud ons vaak slechts zwak en vrij waardeloos voorkomt, maar men gaat over tot instemming van het hart, met een offervaardige bereidheid en toewijding, zodat nu de inhoud ervan in totale omvang en volle rijkdom tot uitdrukking komt. Is het te veel gevraagd van een gedoopte die zijn geloof wil beleven, om – naar het voorbeeld van professor Ollé Laprune – zich van tijd tot tijd af te vragen: ‘Ik ben christen door de genade Gods… Weet ik eigenlijk wel wat het zeggen wil: christen te zijn? Denk ik daar voldoende aan?’

Wat een grote innerlijke kracht kunnen wij vinden in deze overtuiging: ‘God verlaat mij niet. God is bij mij en in mij.  Hij houdt van mij. Het mensgeworden Woord Gods, Jezus Christus, is innig, van hart tot hart, met mij verenigd. Zijn geest ruist door mij als de lichte ademtocht van de profeet. Ik hoef slechts te luisteren en te volgen; slechts te erkennen en te smaken, slechts te vertrouwen en te hopen. Mijn leven is niet iets vreemds dat ik prijs moet geven om de Meester na te volgen: Hij zelf neemt mijn leven in Zich op. Ik leef in Zijn gezelschap. Zo ga ik voort, het kwade afwijzend en het minder goede vermijdend. De aanwezigheid van de hemelse Vriend hindert mij niet in mijn dagelijkse plichten, maar helpt mij juist ze met vreugde en volharding te volbrengen: mijn werk is immers Zijn werk.’  En inderdaad, is het niet de hoogste en meest verheven grootheid van de mens dat God in hem leeft; dat God, als Hij niet in mij leeft, er leven wil; dat God, als Hij in mij leeft, er steeds voller en meer volkomen in wil leven?

Onze verantwoordelijkheid voor een wereld die het christendom afschudt en verafschuwt

Alles in onze hedendaagse samenleving wordt steeds meer ‘geseculariseerd’ (afgeleid van het Latijnse saeculum = wereld), dus louter werelds beschouwd en als ontrokken aan iedere invloed van God: regering, bestuur, openbare instellingen, kortom alles. Het verwondert ons en beangstigt ons soms. Men zou zich kunnen afvragen: wat zou er in onze zichtbare wereld anders zijn, als het bovennatuurlijke in het geheel niet bestond? Als de verlossing en het kruis slechts een droom zouden zijn? Als Jezus Christus slechts een door mensen bedachte mythe was?

Men zou daarop geen antwoord kunnen geven of hooguit zoiets als: niets, absoluut niets zou anders zijn of zeer weinig!

De verantwoordelijkheid voor deze toestand valt op velen terug, maar voor een groot deel op de christenen, ook de zgn. ‘goede’ christenen, die zulke verheven schatten bezitten maar vergeten zijn eraan te denken of ze te onderzoeken, ze uit te diepen en goed te benutten.. Fréderic Ozanam, de stichter van de St.-Vincentiusverenigingen, maakte zich in 1834 dit verwijt: ‘Ofschoon ik mijn godsdienstplichten altijd trouw ben nagekomen, zie ik toch in dat ik de gedachte aan de onzichtbare, de werkelijke wereld tot nu toe niet genoeg heb aangekweekt in mijn hart, niet de allereerste plaats heb gegeven’. Zijn nederigheid deed Ozanam zo spreken. En wij, wat zeggen wij?

Het wordt hoogtijd onze goddelijke voorrechten eens te gaan ‘realiseren’. ‘O, dat intieme genadeleven met Jezus. Je bent nooit alleen, mijn ziel! Hij die je heeft vergoddelijkt, Hij leeft in je! Je bent door aanneming, door ‘naturalisatie’ in de goddelijke gemeenschap opgenomen’. Dat is vaak wel de taal van een bekeerling. Dikwijls zien zij die eerst later katholiek werden – en dat vaak uit diepe overtuiging – dat grote voorrecht beter in dan wij. Wat ons niet eens meer verwondert, brengt hen in verrukking. Zo zegt een Löwengard: ‘Hoe verheven is toch de eenvoudigste ziel, zelfs in het ellendigst lichaam en het armoedigste kleed, hoe heerlijk is toch de ziel, als Gods genade haar bekleedt: een onsterfelijk paleis wordt zij, waarin de Koning der koningen woont, de Heer der heersers, God in drie Personen’.

Is het mogelijk? Is het te geloven? De ziel in staat van genade zou de allerheiligste Drievuldigheid waarachtig in zich bezitten; zou de drie-ene God tegenwoordig weten in haar geest en vlees; zou zo de goede God mogen beminnen als een bruid haar bruidegom!

Naar het lichaam, genomen uit het slijk der aarde, is de mens oneindig gering, maar toch is hij tevens oneindig groot, oneindig edel, grenzeloos verheven, omdat hij door de genade deelt in het leven van God zelf.

Waarom toch doet de mens zo’n moeite om zichzelf altijd hardnekkig te ‘kleineren’? Zich kleiner te achten dan men door Gods genade is? Waarom toch, terwijl hij zo groot is, altijd hardnekkig zich zo klein houden en zo ‘kleintjes’ leven? Wat jammer toch! Wat een verschrikkelijke zonde van verzuim! Wat een grove miskenning van het meest elementaire ‘realisme’. De samenleving maakt zich daaraan schuldig door zich te organiseren – althans te trachten zich te organiseren – met de uitgesproken wil hoegenaamd geen rekening te hoeven houden met het bovennatuurlijke. Maar ook wijzelf begaan deze fout, als wij in het praktische leven de mens miskennen en niet zo beschouwen zoals hij door God is geschapen! Immers, de mens bestaat niet slechts uit een lichaam en een ziel, maar – naar de mooie definitie van Tertullianus – uit ‘een lichaam, een ziel en de H. Geest’.

Wat een trotse aanmatiging en tegelijkertijd wat een diepe vernedering: in de mens niets anders te zien dan de uiterlijke mens! ‘Tot kind Gods genaturaliseerd’, hebben wij niet meer het recht puur werelds, ‘geseculariseerd’ te leven; hebben wij niet meer het recht de secularisatie van zeer veel, bijna alles, lijdelijk en werkeloos toe te zien. God moet meetellen in het leven, zowel in het leven van maatschappij en natie, als in ieders persoonlijk leven. God moet daarin weer de juiste plaats krijgen. Men tracht God meer en meer uit te bannen, uit te schakelen, buiten beschouwing te laten en de mensen te doen geloven dat zij louter ‘menselijk’ zijn.

Volkeren en individuele personen het bovennatuurlijke te doen vergeten en van al het bovennatuurlijke te beroven staat gelijk aan: hun een begin van een ‘verdoemenis’ op te dringen. Immers, de verdoemden zijn niets anders dan wezens die ‘ontgoddelijkt’, ‘ontwijd’ zijn, schepselen die hun verheven eindbestemming voor eeuwig verspild hebben. Wat is de hel anders dan het terrein van algehele ‘secularisatie’, het verbanningsoord, waar – omdat engel en mens het zo gewild hebben – God vrijwillig niets meer is, waar dus ook God ‘verbannen’ is…

Woorden zijn hier niet toereikend. Als kinderen Gods mogen wij niet als gewone mensenkinderen leven. Laten we dan ook een ‘goddelijk’ leven leiden en trachten wij eraan mee te werken dat ieder in onze omgeving ook een ‘goddelijk’ leven leidt (waarin God volkomen tot Zijn recht komt). Zo moeten wij onze bovennatuurlijke voorrechten ‘realiseren’ en de zielen helpen in te zien dat het onze roeping is: met en in en uit God te leven.

Buitenstaanders – zo heeft iemand eens zeer juist opgemerkt – zouden veel gemakkelijker gewonnen worden, als men hun de karakteristieke trekken van het christendom zou tonen in al hun schittering en oorspronkelijke heerlijkheid, in plaats van deze te verdoezelen en in de schaduw te stellen.

Over onze bovennatuurlijke gaven schreef P. Gratry: ‘Als dat alles werkelijk waar is, hoe komt het dan toch dat de mensen er niet meer aan denken? Ik weet het wel: de mensen zijn maar al te zeer gewend dwars door de grootste wonderen heen te lopen zonder er een vermoeden van te hebben. Is niet de tegenwoordigheid van God in de harten het grootste van alle wonderen? Wie heeft er een vermoeden van? Wie houdt er zich mee bezig? Wie bekommert er zich om? “Zeg hun maar niets”, zegt Fénelon, “zij zien niets, zij denken aan niets”.’

En toch! ‘Het leven in gemeenschap met de goddelijke Gast van ons hart is de natuurlijke toestand, waarin alle christenen zich zouden moeten bevinden. Maar waarom is dat dan niet zo? Slechts één op de duizend, misschien maar één op de tienduizend, die deze “gave Gods” erkent’, aldus Mgr. De Ségur.

Is dat niet buitengewoon treurig? Hoelang zal dat nog duren? En wat ons betreft, waar wachten wij nog op om zelf te gaan leven in die ‘natuurlijke toestand’ van iedere gedoopte en om de medemens te helpen de ‘gave Gods’ te erkennen en te beantwoorden?

Moeder Maria, Moeder van de Goddelijke Genade, help ons ten volle als kinderen Gods te leven!

Bron: Dit is een bewerkte vertaling van het Franse boek ‘Dieu en nous’ [God in ons] van pater Raoul Plus, SJ, echter aan de hand van een Nederlandse vertaling uit 1930 en een Duitse uit 1959).

Bron: https://optimisttotindekist.wordpress.com

‘Gij zult mijn getuigen zijn’ – Over het martelaarschap in deze tijd

Standaard

Door Jan Leechburch Auwers (31 oktober 2016)

Moeder Maria spreekt duidelijk over het martelaarschap in de Kerk; zij aarzelt geen moment ons dit mysterie glashelder voor ogen te houden, zowel in haar boodschappen van Fatima, als in haar ruimere uitleg aan Don Gobbi. Prof. dr. P. Gumpel, S.J., heeft een lezing gehouden op het congres dat 9 mei 2000 te Rome gehouden werd door Kerk in Nood/Oostpriesterhulp onder het motto: ‘Het martelaarschap op de drempel van het komend millennium’. Prof. Gumpel, voormalig hoogleraar aan de pauselijke Gregoriana-universiteit te Rome, was sinds 1972 verbonden aan de Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen te Rome, als ‘relator’ (onderzoeksrechter) van deze congregatie. Wij vertaalden en bewerkten de samenvatting van de lezing van prof. Gumpel uit Der Fels (9-2000).

Drie grondprincipes van het martelaarschap

Wat moeten we theologisch verstaan onder het ‘martelaarschap’? In het dagelijks spraakgebruik wordt deze term dikwijls in zeer ruime zin gebruikt. Als bijv. in een bedrijf een chef zijn ondergeschikten slecht behandelt, dan zegt men van hen wel eens dat ze ‘ware martelaren’ zijn. Het kan inderdaad zwaar zijn, er kan van die mensen verschrikkelijk veel geduld en zelfbeheersing gevraagd worden. Als we echter in de theologie over het martelaarschap spreken, moeten we een veel scherper omlijnd begrip hanteren. Steeds moet aan de volgende drie voorwaarden worden voldaan:

  • De martelaar moet een gewelddadige dood ondergaan hebben.
  • Dit sterven moet hij geleden hebben ten gevolge van geloofshaat, omdat een vervolger van de Kerk van hem iets eiste dat hij als christen niet kon volbrengen.
  • En hij moet dan voor de keuze gesteld zijn òf van zijn geloof af te vallen òf tot in de dood toe trouw te blijven aan God, aan Christus en Zijn Kerk.

Als een duidelijk voorbeeld heb ik uit de vele martelaarsakten de Martelaren van Scillium gekozen, omdat hun verhaal zo ontroerend en treffend is. Zij stierven de marteldood in het jaar 180 en waren de eerste martelaren van Noord-Afrika.

De organisatie van het Romeinse rijk

Eerst moeten we echter stilstaan bij de toestanden die destijds in het Romeinse rijk bestonden. Rome was de hoofdstad van de toenmalige wereld. Het Romeinse rijk omvatte niet alleen heel Italië, maar ook Frankrijk, Engeland, Ierland, grote delen van Duitsland (en Nederland – red.) en verder ook Griekenland, heel Noord-Afrika, Egypte, het nabije Oosten tot in Perzië en India toe – een reusachtig rijk dat alleen met uiterlijke macht samengehouden kon worden. Daarbij moeten we denken aan de voortreffelijke militaire organisatie van het Romeinse rijk, de aanleg van de ‘heirbanen’ waardoor het mogelijk was binnen de kortste tijd de legioenen ook naar de verst verwijderde gebieden te dirigeren, het uitstekende rechtssysteem en vooral ook de zeer grote tolerantie. De Romeinen stonden de verschillende, aan hen onderworpen volkeren vergaande vrijheden toe, onder voorwaarde dat zij belasting betaalden en de keizer erkenden. Maar op den duur kon dit geweldige rijk niet alleen door uiterlijke macht samengehouden worden. Zo ontstaat er een proces van vergoddelijking van de Romeinse keizer. Dat begint al bij Caesar die in het jaar 44 voor Christus vermoord werd, en dat zet zich in de loop van de tijd voort: men wil dit reusachtige rijk niet alleen beschouwen als door uiterlijk geweld tot stand gekomen, maar het ook een innerlijke eenheid geven, een godsdienstige eenheid. Dit proces wordt in de eerste eeuw afgesloten onder keizer Claudius die zijn keizerlijke decreten ondertekent met: ‘Ego, Claudius, Imperator et Deus’ [Ik, Claudius, keizer en god]. En dan wordt van alle ingezetenen in het Romeinse rijk geëist dat zij de keizer niet alleen als een louter wereldlijke overheid aanvaarden, maar ook dat zij hem erkennen als een goddelijke persoonlijkheid.

Probleem? Niet voor de heidenen, wel voor de christenen!

Voor de heidenen was dat helemaal geen probleem: er bestond immers een veelvoud van goden, een hele godenwereld – bij de ene geloofsgroepering wat meer dan bij de andere – dat maakte voor hen niet veel uit.

Maar voor de christenen lag dat totaal anders. Voor hen gold wat wij heden ten dage in de eerste zin van het Credo nog steeds belijden: ‘Ik geloof in één God (…), Schepper van hemel en aarde’. En natuurlijk ook dat andere woord: ‘Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen houden’. De christenen konden dan ook die godsdienstige aanspraak van de Romeinse keizer niet aanvaarden en werden daarom als hoogverraders gebrandmerkt, als landverraders en onbetrouwbare onderdanen, en als zodanig voor het gerecht gesleept. Dat gebeurde niet altijd systematisch, maar de vervolging kon ieder ogenblik weer uitbreken.

De Martelaren in het Noord-Afrikaanse Scillium in het jaar 180

Laten we teruggaan naar hetgeen toen in de plaats Scillium in Noord-Afrika plaatsvond. Daar wordt een aantal mensen aangeklaagd, heel eenvoudige lieden: een kleine zakenman, een paar huisvrouwen, ook jonge vrouwen en jonge mannen. Ze hebben geweigerd de keizer goddelijke eer te bewijzen en worden daarom voor het gerecht gebracht. De rechter is geen wrede man; hij probeert hen te overtuigen en zegt: ‘Alstublieft, brengt nu een offer aan de keizer, legt een eed af op de goddelijke natuur van de keizer en dan zijn jullie direct vrij.’ Maar de christenen antwoorden: ‘Mijnheer de rechter, dat kunnen wij niet maken’. Een kleine zakenman zegt: ‘Ik ben altijd eerlijk geweest. Ik heb nooit iemand bedrogen. De belastingen heb ik altijd betaald. Ik ben een trouwe onderdaan, maar wat u nu van mij eist – van mijn geloof af te vallen en mijn God te verloochenen – dat kan ik niet doen.’

Dan worden ook de anderen een voor een ondervraagd: ‘Willen jullie niet aan de keizer goddelijke eer geven?’ En de antwoorden zijn ontroerend in hun eenvoud. Zo zegt een eenvoudige huisvrouw: ‘Ik ben een christen en dat wil ik blijven’. Een ander zegt: ‘Ik geef de keizer wat de keizer toekomt, maar aan God wat God toekomt’. De rechter zegt dan: ‘Goed, ik wil jullie nog dertig dagen bedenktijd geven. Overlegt goed met elkaar. Je stelt je bloot aan de doodstraf.’ Ze antwoorden: ‘Neen! In zo’n belangrijke zaak hebben wij geen langdurig overleg nodig. Wij kunnen u nu reeds zeggen: wij blijven God trouw!’ Daarop zegt de rechter: ‘Dan kan ik ook niets meer voor jullie doen’. Hij spreekt het oordeel uit, noemt de namen een voor een en zegt: ‘Omdat u geweigerd hebt de keizer goddelijke eer te bewijzen, veroordeel ik u hiermee tot de dood door onthoofding.’ En de kroniekschrijver voegt er dan dit korte bericht aan toe: ‘Ze werden aanstonds de stad uitgevoerd en onthoofd’.

De drie criteria

Hier vinden we dus duidelijk de drie elementen, die vereist zijn voor het martelaarschap in zuiver theologische zin: de gewelddadige dood (ze werden onthoofd), ze werden onthoofd om een godsdienstige reden (omdat zij weigerden God te verloochenen) en ten derde: voor deze tragische keuze gesteld, zijn zij God tot het bittere einde toe trouw gebleven. Dat zijn de drie begrippen: een gewelddadige dood, gedood uit geloofshaat en vrijwillige aanvaarding van deze dood. We zullen deze drie punten nog wat nader toelichten

Een gewelddadige dood

De manier van sterven speelt geen rol. Helaas zijn er velen die zeer vindingrijk zijn als het erop aankomt iemand naar de andere wereld te helpen. Het is ook niet noodzakelijk dat iemand direct sterft. In de afgelopen eeuw hebben we het geval van Karl Leisner[1] die in het concentratiekamp een dusdanige schade aan zijn gezondheid leed, dat hij maanden na het einde van de oorlog alsnog aan dit lijden bezwijkt. Hij is tot martelaar uitgeroepen.

We hebben het geval van prelaat Lichtenberg, proost van het domkapittel in Berlijn; hij had zich voor de joden ingezet en zich openlijk tegen het nationaal-socialisme uitgesproken. Hij werd in de gevangenis gezet, kreeg het daar zwaar te verduren en werd vervolgens onder gruwelijke omstandigheden op transport gesteld naar Dachau. Hij stierf tijdens de reis erheen. Ook hij is een martelaar.

Geloofshaat

Haat tegen God komt inderdaad voor. Zo hebben we het klassieke voorbeeld van de Romeinse keizer Julianus, die van zijn geloof was afgevallen en vervolgens een van de allerergste christenvervolgers van alle tijden is geworden. Hier was sprake van een werkelijk bijna satanische haat tegen God, Christus en de Kerk.

Het hoeft echter niet per se haat tegen God als zodanig te zijn. Men kan ook van een martelaar spreken als men van hem eist dat hij één dogma, één geloofsthema van de katholieke Kerk ontkent. Neem bijvoorbeeld de martelaren van Engeland en Ierland. Van hen werd geëist dat zij de Engelse koning of koningin als zichtbaar hoofd van hun christelijke godsdienst zouden erkennen. Dat konden zij niet doen; honderden zijn daarvoor de dood ingegaan. [2]

Het hoeft echter niet altijd een punt van het geloof te zijn. Van een christen kunnen ook op het gebied van de moraal zaken geëist worden, waarop hij op grond van zijn christelijke overtuiging, zijn christelijk geloof, zijn christelijk geweten eenvoudig niet kan ingaan. Er zijn in de afgelopen eeuw talrijke gevallen voorgekomen van jonge vrouwen, die men wilde verkrachten, maar die zich daartegen verzet hebben en daarom gedood werden. Zo hebben we in de twintigste eeuw het geval van Maria Goretti, van Antonia Mesina, in Afrika het geval van Anuarite Mengapeta en van nog vele anderen in verschillende delen van de wereld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

Het is voorgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog dat aan een Duitse soldaat werd opgedragen op Russische vrouwen en kinderen te schieten en ook op joodse vrouwen en kinderen. Die soldaat heeft daarop gezegd: ‘Dat kan ik niet met mijn christelijk geweten overeenbrengen’. Daarop zei hem zijn luitenant: ‘Ach kom nou, schiet op. Die worden in ieder geval neergeschoten, of jij dat nu doet of iemand anders, dat baat hen niets. Maar als je blijft weigeren, als je het bevel niet uitvoert, dan zal ik jou neerschieten.’ De jonge soldaat zei daarop: ‘Nee, ik zal dat beslist niet doen. Ik ben katholiek, ik kan dat niet’. Hij wordt doodgeschoten: een martelaar!

Er zijn ook gevallen dat iemand uit liefde tot het martelaarschap komt. In onze eeuw hebben we het geval gehad van de H. Maximiliaan Kolbe[3]. In Italië hebben we ook een dergelijk geval. Het gaat om de nog jonge Salvo D’Acquisto, lid van de Italiaanse politie (Carabinieri). De Duitse bezetters nemen aan dat er op hen een aanslag is gepleegd. Het is nooit duidelijk geworden of er werkelijk sprake was van een aanslag of dat het ging om een geval van louter toeval. Feit is dat enkele Duitse soldaten omkomen. Dan worden 22 Italiaanse boeren ongeveer ten noorden van Rome bijeengedreven. Ze moeten een graf delven, ze zullen daarin neergeschoten worden. Maar dan komt deze jonge Carabinieri naar voren, die van de hele zaak überhaupt niets afweet, die er ook helemaal niet bij betrokken was, maar die wel als fungerend politieambtenaar voor de veiligheid in dit gebied verantwoordelijk was. Hij spreekt de commandant van de Waffen-SS aan en vraagt: ‘Als ik nu zeg dat ik de verantwoordelijkheid op me neem, kunnen dan deze 22 huisvaders vrij uitgaan?’ ‘Ja!’ Deze 22 gaan vrijuit, hij wordt doodgeschoten: een martelaar!

De vrijwillige aanvaarding van de executie

Dat hebben we gezien in het geval van de Martelaren van Scillium. Ze werden geconfronteerd met de eis van de Romeinse rechter (de keizer goddelijke eer te bewijzen) en ze weigerden daarop in te gaan. Maar het kan ook gebeuren dat iemand zegt: ‘Ik weet dat de vijanden van de Kerk mij zullen doden als ik me tegen hun eisen verzet. Alles goed en wel: ik ben bereid voor mijn geloof te sterven’. Later wordt hij in zijn slaap gedood, dus op een ogenblik waarin hij zijn geloof niet uitdrukkelijk kon belijden. Dat doet echter niets ter zake. Ook hij kan door de Kerk tot martelaar verklaard worden. En dat is al eens gebeurd.

Waarom moeten er altijd martelaren zijn?

Hoeveel martelaren zijn er eigenlijk in de geschiedenis van de Kerk geweest? Dat is niet zo eenvoudig te beantwoorden. In zeer veel gevallen zijn mensen gewoon verdwenen, er zijn in het geheel geen gegevens meer over hen te vinden. Maar volgens voorzichtige schatting van de vakgeleerden bedraagt het aantal martelaren, die in de tweeduizend jaar oude geschiedenis van onze Kerk hun leven voor Christus hebben geofferd, vele honderdduizenden, misschien wel ettelijke miljoenen…

En dan volgt vanzelf de vraag: Hoe komt het dat zoveel mensen voor de keuze gesteld werden hun leven voor het geloof te geven? Een eerste antwoord daarop kunnen we al direct geven, als we ons beroepen op het Tweede Vaticaans Concilie. Het is een duidelijke zaak dat onze godsdienst geen eenvoudige, geen gemakkelijke godsdienst is. Christus heeft ons dat zelf al voorgeleefd: Hij is voor ons en voor onze verlossing aan het kruis gestorven. Christus zelf heeft gezegd: ‘Als ze Mij vervolgd hebben, dan zullen zij ook u vervolgen. De leerling gaat niet boven de meester.’

Meer dan louter menselijke wilskracht

Als we dieper op de theologie van het martelaarschap ingaan, dan komen we tot een tweede vraag: ‘Is het martelaarschap, dit gewelddadig lijden en het vrijwillig aanvaarden van de dood louter een kwestie van menselijke wilskracht?’ Het antwoord op deze vraag is haast vanzelfsprekend een vierkant ‘neen’. Op de allereerste plaats dit: het martelaarschap is slechts mogelijk dankzij Gods genade. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in het vijfde hoofdstuk van de dogmatische constitutie ‘Lumen Gentium’ [Licht der Volkeren] uitdrukkelijk verklaard dat het martelaarschap slechts op grond van een geheel eigen persoonlijke roeping mogelijk is – een roeping die lang niet aan alle christenen, maar slechts aan zeer weinigen gegeven wordt. Weinigen in verhouding tot de miljarden katholieken die er hier op aarde geweest zijn. Als we echter zeggen dat het martelaarschap op de eerste plaats door de genade mogelijk wordt gemaakt, dan willen we daarmee de verdienste van de betrokken persoon niet tekort doen. Want zoals altijd bij alles wat betrekking heeft op het bovennatuurlijke leven staat ook hier de genade beslist voorop. Alleen door de genade wordt het martelaarschap mogelijk gemaakt, maar de mens moet zich wel openstellen voor de genade, moet met de genade meewerken, moet er een positief antwoord op geven. En dat is nu juist in het geval van het martelaarschap een tragische en doodernstige beslissing. [4]

Waarom toch, ja waarom martelaren?

Voor die vraag – waarom er in de Kerk martelaren moeten zijn – verwijs ik naar een zin uit de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie die ons naar de diepste gronden ervan leidt. Het concilie zegt namelijk: ‘Er zullen altijd kerkvervolgingen zijn en er zullen altijd martelaren in de Kerk zijn’. Is een dergelijke categorische bewering eenvoudig gebaseerd op een waarschijnlijkheidsberekening? Zo in de geest van: tweeduizend jaar lang hebben we altijd martelaren gehad, dus zal het altijd wel zo zijn… Nee, dat kan een oecumenisch concilie in een dogmatische constitutie niet zeggen. Een concilie heeft niet de taak voorspellingen te doen. Nee, er is een heel andere grond daarvoor: als de Kerk werkelijk Kerk wil zijn en blijven, dan moeten er martelaren zijn. Dat is een zeer sterk punt dat door het concilie is vastgesteld. Waarop beroept men zich? Wel, op de leer van de heilige Paulus: ‘Ik leef. Nee, ik leef niet meer. Christus leeft in mij.’ Het is dus een opdracht voor de christenen zich open te stellen voor de genade van de heilige Geest, zodat Christus in hen kan leven, zodat Christus Zijn leven in Zijn christenen kan voortzetten. Dat is de leer van het Mystiek Lichaam van Christus, dat is de leer van de H. Augustinus over de totale Christus. Christus: hoofd en ledematen. Christus als hoofd is de geschiedkundige persoonlijkheid van Jezus Christus; de ledematen, dat zijn wij die door Gods genade geroepen worden in en door en met Hem te leven. Vanzelfsprekend is het zo dat Christus de enige Middelaar is tussen God en de mensen. Hij – en Hij alleen – heeft ons verlost. Maar… ons wordt de mogelijkheid geboden met Hem mee te werken, zodat de verlossingsgenade verder weer aan anderen wordt meegedeeld. In die zin kunnen en moeten wij aan het verlossingswerk van Christus meewerken, zoals paus Pius XII dat al in zijn encycliek ‘Mystici Corporis’ heeft verklaard en zoals het Tweede Vaticaans Concilie dat weer naar voren heeft gebracht. Dat gebeurt steeds overeenkomstig ieders eigen persoonlijkheid. Ieder van ons moet in zijn eigen, geheel persoonlijke roeping Christus de gelegenheid geven existentiële mogelijkheden te realiseren, die hij niet zou kunnen beleven binnen de grenzen van zijn eigen geschapen natuur. Christus is in een bepaald land geboren, in een bepaalde tijd, binnen een bepaalde cultuur. Hij is de meest volmaakte geschapen realiteit, maar dat belet niet dat Hij in Zijn menselijke natuur beperkt en begrensd was en in dit opzicht bestaat de mogelijkheid dat wij het Christus mogelijk maken Zijn leven en werken in ons voort te zetten en te voltooien. Daarom moeten er in de Kerk mensen zijn die de verschillende aspecten en elementen van Christus’ leven navolgen en voltooien, opnieuw beleven en voortzetten. Aangezien nu de dood van Christus het hoogste, het doel van heel Zijn menselijke activiteit was, moeten er in de Kerk ook altijd mannen en vrouwen zijn, van iedere leeftijd, van elk geslacht en van iedere cultuur die juist dit element van Christus’ leven – Zijn verlossingsdood – navolgen en tot voltooiing brengen. Dat juist zijn de martelaren! En daarom zegt het concilie: Zolang de Kerk bestaat, zullen en moeten er in de Kerk martelaren zijn.

Het martelaarschap is de realisatie van de christelijke deugden

Zo kom ik tot een ander aspect, nl. van de deugden. Wij zijn er allen toe geroepen de christelijke deugden te beoefenen, maar wie hebben de christelijke deugden in hun volle omvang meer, intensiever, scherper omlijnd beleefd dan de christenmartelaren? Geloof, hoop en liefde. Wie niet ten diepste vanuit het geloof leeft, wie niet een vaste hoop heeft op Gods hulp bij de dodelijke beslissing van het martelaarschap, wie niet hoopt op het eeuwige leven, wie er niet vast van overtuigd is dat met dit aardse leven niet alles voorbij is, wie niet bezield is van een brandende liefde tot God en de mensen, die zal niet bereid zijn om zijn leven op te offeren. Dat zou een grote dwaasheid zijn. Geloof, hoop en liefde: deze goddelijke deugden vinden we juist in de hoogste graad bij de martelaren.

De zedelijke deugden

Ook de andere christelijke deugden komen tot uitdrukking in het martelaarschap, o.m. de wijsheid of voorzichtigheid. Wijsheid is een deugd die ons ertoe brengen moet een juiste keuze te maken. Hier gaat het om de keuze tussen geloofsafval en geloofsbelijdenis. De mens die de deugd van wijsheid beoefent, maakt de juiste keuze.

De rechtvaardigheid. Men moet God meer gehoorzamen dan de mens. Rechtvaardigheid of gerechtigheid is de deugd op grond waarvan men ieder het zijne geeft. We moeten God meer geven dan aan wie ook.

Over sterkte en zelfverloochening hoeft men bij het martelaarschap niet te spreken. Het leven is wel het laatste dat de mens kan weggeven.

De geest van armoede. Denken we eraan hoe Christus van alles ontdaan werd. Men heeft Hem van Zijn kleren beroofd, men heeft Hem Zijn eer ontnomen. Men heeft Hem belasterd en bespot. Men heeft Hem zelfs het laatste stukje grond ontnomen waarop Hij Zijn voeten kon zetten. Men heeft Hem zelfs de lucht (om in- en uit te ademen) ontnomen. U weet toch dat Christus tenslotte op het kruis gestikt is. Datzelfde herhaalt zich nu ook bij de martelaren. De martelaar wordt de vraag gesteld of hij bereid is zichzelf ten volle weg te geven, niet slechts in zijn bezittingen, niet slechts in zijn persoonlijke menselijke betrekkingen. Kunt u zich voorstellen wat het voor een huisvader of moeder betekent hun echtgenoten, hun kinderen, hun dierbaarste schatten, te verlaten? Het is toch de uiterste armoede als men ter wille van de liefde Gods zelfs van het aardse leven, waaraan wij toch allemaal tot op zekere hoogte gehecht zijn, afstand doet.

Slot

Tot zover het betoog van professor Gumpel over het martelaarschap. Aan het eind van zijn toespraak wijdt hij enkele woorden aan pater Werenfried van Straaten en diens wereldwijde organisatie Kerk in Nood/Oostpriesterhulp. In verband met ruimtegebrek moeten wij hier kort over zijn. Uw redacteur L.A. is aanwezig geweest bij de viering van het 60-jarig priesterjubileum van pater Werenfried op zaterdag 22 juli 2000, met name bij de eucharistieviering van die middag in de Sint-Janskathedraal te Den Bosch, waarbij de bisschop van Den Bosch, Mgr. drs. A. Hurkmans, en verschillende andere bisschoppen, de celebranten waren.

Bij alle kritiek en laster omtrent de Kerk – met die gedachten eindigt professor Gumpel – doet Kerk in Nood zoveel goeds dat men wel moet zeggen: ‘Wellicht is toch niet alles slecht aan de Kerk’. Men zal allicht zeggen, zoals in de eerste tijd nog met de apostelen: ‘Ziet eens hoe ze elkander liefhebben’.

Bron: Der Fels (9/2000  –  Auteur: prof.dr P. Gumpel. S.J. –  Vertaling en bewerking: Leechburch Auwers. –  De voetnoten zijn van de redactie. –  Gaarne dank aan de auteur en aan de redactie van Der Fels.


[1] Hij was in het concentratiekamp bij Dachau lotgenoot van Pater Titus Brandsma; wij hebben al eerder over hem gepubliceerd (zie De Brandende Lamp nr. 66, 2e kwartaal 1996). Karl Leisner en prelaat Lichtenberg werden beiden 23 juni 1996 zalig verklaard.

[2] Onze eigen Martelaren van Gorkum zijn in dit kader ook een goed voorbeeld: van hen werd immers vooral gevraagd de suprematie van de paus als opperhoofd van de Kerk en de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie te ontkennen.

[3] In het concentratiekamp Auschwitz werden wegens een zogenaamd zeer ernstig vergrijp tien willekeurige gevangenen tot de hongerdood in een bunker veroordeeld, onder wie ook een huisvader. Pater Kolbe bood zichzelf aan om in diens plaats te sterven. Hij werd in 1971 zalig en in 1982 heilig verklaard. ‘Men zal niet licht iemand vinden die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand in een bepaald geval dit van zich kunnen verkrijgen’, aldus Sint-Paulus (Rom.5,7.10). In Pater Maximiliaan Kolbe werd zo iemand inderdaad gevonden!

[4] Een duidelijk voorbeeld daarvan vinden we wederom bij onze eigen Martelaren van Gorkum: het zijn er per saldo negentien geworden, maar het hadden er meer kunnen zijn; enkele personen hebben het af laten weten…

Bron: https://janvanleechburchtotauwers.wordpress.com

Franklin ter Horst: de Covid-19 reis naar de globalisering van de wereld – in 7 delen

Standaard

Nieuwsbrieven van Franklin ter Horst

Covid-19 is niet de naam van een virus maar de codenaam van een internationaal plan voor de controle en vermindering van de wereldpopulatie. Zie ook deze video.

Wij zijn getuige van de grootste misdaad in de menselijke geschiedenis. Dit plan is de afgelopen decennia ontwikkeld en in 2020 in de praktijk gebracht. Het gaat om een plan waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord. Neem daarom eens de moeite de Covid-19 reis naar globalisering van de wereld te openen om te zien hoe veelomvattend de plannen van de machthebbers zijn om de wereldbevolking volledig te onderwerpen. De wereldbevolking wordt sinds het begin van 2020 geconfronteerd met ontwikkelingen die nog nooit eerder in de geschiedenis zijn vertoond. Overheden confronteren de wereldbevolking met een serie absurde maatregelen die het leven van honderden miljoenen mensen ontregelen met machthebbers op de achtergrond die de hele wereld in één grote gevangenis willen veranderen.

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Deel 4

Deel 5

Deel 6

Deel 7